donderdag 15 augustus 2013

Je kunt op zijn minst dankjewel zeggen

Cultuur010, 11 januari 2010
Je kunt op zijn minst dankjewel zeggen


Afstand doen van samenleving en medemens, en tóch doorleven. Kan dat? De film Nothing Personal (2009) laat zien welke instinctieve krachten de mens tot een gemeenschapsdier maakt. ‘Samen’ gaat vanzelf, ‘alleen’ is de beproeving.

"Hoe heet je?", vraagt Martin (Stephen Rea). "Dat gaat je geen ene zak aan", antwoordt de jonge vrouw (Lotte Verbeek) die gisteren op zijn boerderij in Ierland is aan komen waaien. Een ogenblik later wordt de bank waarop ze zit ruw onder haar vandaan geschopt. "Je kan op zijn minst dankjewel zeggen", zo herpakt Martin zich. Maar de vrouw weigert. "Waarom? Ik heb er toch voor gewerkt. Je zei: eten voor werk."

Kil en functioneel

Regisseur Urszula Antoniak verkent het niemandsland waar verbintenissen gesloten worden, spontaan of geforceerd. Soms in woord, soms in daad, vaker nog in een onbedoelde gezichtsuitdrukking of ongemakkelijke stilte. Gedurende de film wordt het de vrouw duidelijk dat er geen ontsnappen meer aan is; zelfs in het gezelschap van een kluizenaar is het onderdrukken van haar menselijke natuur moeilijk vol te houden.



Anna, zoals ze later blijkt te heten, boycot alles wat een mens tot een mens maakt. Oogcontact, een glimlach, een handdruk, een enkel opbeurend woord. Ze zweert het af zoals een vegetariër dat met vlees doet. Contact moet kil en functioneel zijn, niet warm en persoonlijk. Geen gedoe.

Totale isolatie

Allergisch voor mensen, zo zou je de aandoening kunnen noemen die Anna van de buitenwereld afsluit. De oorzaak? Geen idee. Hoewel; het beeld van een afgedankte ring verraadt een stukgelopen relatie. Verklaart dat haar hang naar totale isolatie? Is er niets meer aan de hand, een ernstige persoonlijkheidsstoornis misschien? De regisseur laat die vraag open. Alsof het een bui is die iedereen kan overkomen.

Martin is voor Anna de kwaadste niet. Hij is geen tegenpool, maar een kluizenaar van middelbare leeftijd die eet van zijn land. Een ontwikkeld man, die ook zijn verleden heeft. Eenzaam, maar prima in staat zichzelf te redden. Voor het steken van turf, het poten van bieten en het oogsten van gewas kan hij echter wel wat hulp gebruiken. Maar om Anna nou als werktuig te beschouwen, zoals ze zelf wil, dat gaat hem toch wat te ver. Hij is alleen, maar niet sociaal gestoord. Als hij zijn bestaan aan haar probeert te verklaren, raakt Anna geïrriteerd. "Ik ben niet geïnteresseerd in je levensverhaal."

Ontdooien

Als Anna de boerderij voor gezien houdt, holt Martin haar achterna. Oké, hij zal beloven niet persoonlijk te worden. Geen vragen te stellen, behalve hoe ze heet. "Als je me wil roepen kan je gewoon ‘jij’ zeggen." Later zal hij uit haar rijbewijs, die in haar jas zit, opmaken dat ze Anna heet en 21 jaar oud is. Hij bezoekt zelfs heimelijk haar verlaten appartement in Amsterdam, maar vindt daar niets meer dan een haarspeld.

Uiterst langzaam begint Anna te ontdooien. Even, als ze nadoet hoe Martin de soep roert, verschijnt er een glimlach op haar gezicht. Martin lacht terug, waarop Anna's gelaat direct weer bevriest. Maar stapje bij stapje dringt ze toch het privédomein van Martin binnen. Ze luistert ongevraagd naar zijn collectie opera's, leent zijn boeken en verruilt uiteindelijk haar tentje op het land voor een kamer op de boerderij. Maar als Martin onwel wordt op de trap, kijkt ze hem als een geschrokken hert aan om vervolgens haar kamer in te vluchten. Ze weet zich geen raad met de situatie, gaat op bed zitten, punnikt wat en staart naar de muur. Wat nu? Had ze moeten helpen, hem moeten verzorgen? Martin klopt even later op de deur, waarop Anna voor de vorm een boek pakt. Alsof ze gewoon aan het lezen is. Het gedoe is terug, zo verraadt haar lichaamstaal.

"Ik wil dat je vannacht waakt. Ik ben bang dat ik dood ga in mijn slaap", commandeert Martin op een toch nog redelijk zachtaardige toon. Als een uit elkaar gegroeid echtpaar liggen ze die nacht samen in een bed. Het begin van een relatie, maar wat voor een?

Zoals jou zijn

De volgende dag is alles anders. "Vandaag was een mooie dag", zegt Anna die avond. "Zeker", antwoordt Martin, die haar even later mee uitvraagt naar een pub. "Wie is zij?", vraagt de barvrouw aan Martin. "Ik heb geen idee", zegt Martin. De barvrouw schudt haar hoofd. "En toch koop je bier voor haar?" Anna drinkt gulzig, ze wordt dronken. Maar hoe aanhankelijker ze wordt, hoe afstandelijker Martin zich opstelt. Wat is je lievelingskleur, vraagt Anna de dag erna. "Hé jij, dat lijkt verdacht veel op een persoonlijke vraag."

Een weg terug is er echter niet meer. Anna's lievelingsgetal is nul, zo verklapt ze. En vanaf nul wordt de relatie opgebouwd. Het verleden doet er niet toe. De nieuwe Anna is op de boerderij geboren. "Wat wil je dan?", vraagt Martin. "Ik wil zoals jou zijn. Niemand die je ziet, niemand die met je praat." Als Martin sterft, stapt ze in zijn pantoffels. Samen zijn ze nu weer alleen.

Bedrijfsuitje loopt uit de hand

Cultuur010, 23 december 2009
Bedrijfsuitje loopt uit de hand


“Er is iets anders aan je”, zegt de verlegen Elza tegen haar stralende collega. “Ja”, antwoordt Lin, terwijl ze haar hoofd vastpakt. “Normaal zit er een headset op.”

Door Steven de Jong

Deze dialoog vat het toneelstuk Casino misschien wel het meest treffend samen. Donderdag bracht theathercolectief Norfolk het op de planken in de Rotterdamse Schouwburg.

Anders is niet zozeer het uiterlijk van Lin (Loes Haverkort), maar de setting waarin ze Elza (Rosa Reuten) ontmoet; een bedrijfsuitje van een verzekeringsmaatschappij in een casino. “Over het algemeen heb ik vrij vluchtige contacten met collega’s”, bekent Elza. “Thuis heb ik een lijst gemaakt van mensen die ik vanavond beter wil leren kennen.”

Mensen-mens

Daarin slaagt ze. Als de drank rijkelijk vloeit, wordt de small talk ingewisseld voor ‘elkaar eens flink de waarheid zeggen’. Lin (”Ik heet eigenlijk Linda, maar iedereen noemt mij Lin, dus ben ik dat zelf ook maar gaan doen”) wordt door de gefrustreerde Jessica (Hannah van Lunteren)  voor “hoer!” uitgemaakt. Dat weet ze overigens professioneel op te vangen, want Lin heeft Communicatie gestudeerd. “Ik ben een mensen-mens. Ik luister naar de klanten en stuur ze door. De ene keer gaat het over techniek, de andere keer over betalingen. Mensen willen soms even stoom af blazen.”

Niels (Tibor Lukács) krijgt de “errors” voor zijn kiezen die hij dagelijks als webdesigner produceert. “Onze website is één grote muur tussen de potentiële klant en ons bedrijf. Ik wil dat je morgen met een oplossing komt, anders lig je eruit”, sneert Agnes van de Berg (Marieke de Kleine), de nadrukkelijk aanwezige manager.

Gemiste kansen

Wat blijft er over van de mens buiten kantooruren? Een hoopje ongeluk, een samenraapsel van gemiste kansen en onvervulde dromen. Die indruk krijg je bij dit toneelstuk, te meer omdat het zich afspeelt tussen een roulettetafel en een fruitautomaat. “We zullen vanavond winnen”, zo probeert de manager de moed erin te houden. “We kunnen niet verliezen, want als verliezers zullen we slecht zijn.”

Inmiddels heeft iedereen zijn gevoel voor decorum verloren. Elza is haar rokje kwijt, Lin is van de barkruk gevallen, Jessica kiepert haar salaris in het fruitautomaat en Niels heeft de sleutels van zijn BMW op een roulettevakje gelegd. “Geen hand tokkelt meer op onze beste snaren”, jammert de manager, die het ook niet meer ziet zitten. Haar nuchtere man, die af en toe binnenkomt om te vragen hoelang het feest nog duurt, heeft een opbeurend woord. “Je moet een beetje je best doen in het leven. Of op zijn minst proberen.”

Af- en aanlopen

Je best doen. Maar in wat? Niels wil wel graag “iets anders”, zo gaf hij bij binnenkomst toe. “Mijn horizon verbreden”, zo definieerde hij zijn carrièreplan. Elza zoekt buiten haar werk een vorm van zingeving: binnenkort gaat ze knuffels naar Roemenie brengen. Alles beter dan het uitzicht dat ze nu heeft op de parkeerplaats. De dynamiek in haar leven bestaat tot dusver uit het “af- en aanlopen van medewerkers en het op- en neergaan van een hefboom”.

Agnes, de pas aangetreden manager, staat bekend als “de frisse wind in het bedrijf”. Meer dan gezag heeft ze echter niet. “Niemand begrijpt me. Niemand houdt van me. Het is allemaal één grote leugen. Misschien zou het beter zijn als ik niet besta.” Het Russisch Roulette biedt het gezelschap uitkomst. Als het leven je niets meer waard is, kun je het maar beter in de waagschaal leggen.

Het dorp als kooi

Cultuur010, 6 december 2009
Het dorp als kooi


In de zwart-wit film Das Weisse Band (Michael Haneke, 2009) is de dominee alles: gezinshoofd, dorpshoofd, rechercheur, rechter en beul. Als zijn bovenlip trilt, daalt Gods toorn neer.

"Ik gaf God de gelegenheid mij te doden, maar hij deed het niet. Hij heeft het dus goed met me voor." Dat zegt de kleine, schuldbewuste domineeszoon Martin als hij door de dorpsonderwijzer van een gevaarlijk hoge brugleuning wordt gehaald.

Witte band

Het leven lijkt zo simpel, daar in dat noord-Duitse plattelandsdorp van vlak voor de eerste wereldoorlog. Maar onder de vrome haarscheidingen broeit het. Hun grootste vijand is de eigen wil, die tot zelfzucht, onkuisheid en andere ondeugden kan leiden.

Daarom zijn de gezinnen misschien ook zo groot: hoe minder aandacht voor het individu, hoe meer het groepsgevoel er toe doet. "De mensen opvoeden tot verantwoordelijke burgers", zo duidt de dominee (Burghart Klaußner) zijn taak, die meer aanzien dan de baron geniet.

Hij heeft Martin (Leonard Proxauf) en diens broertjes en zusjes een witte band om de bovenarm gedaan. Een witte, de kleur van onschuld, opdat ze er aan herinnerd worden een misstap te hebben begaan, namelijk te laat thuiskomen.

Boeten

De schok is groot als het in zichzelf gekeerde dorp geplaagd wordt door incidenten die zelfs in een grote stad voor beroering zouden zorgen. Het bloemkolenveld van de baron wordt vernield, een schuur gaat in vlammen op en de zoon van de baron wordt ontvoerd en mishandeld. "De gene die dit gedaan heeft is onder ons", waarschuwt de baron op een dorpsbijeenkomst. De politie wordt niet ingelicht, want de boel bij elkaar houden dient een hoger doel dan de rechtsorde.

Later wordt ook de dominee doelwit: zijn geliefde parkiet wordt gespietst en zijn gehandicapte zoontje Karli wordt zo toegetakeld dat hij het zicht verliest. Iemand lijkt wraak op de dominee te willen nemen, want op de plek waar Karli gevonden werd lag een briefje met een vers uit het Oude Testament, Exodus 20:5: "Voor de schuld van de ouders laat Ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze Mij haten."

Hatelijk

De verlegen dorpsonderwijzer (Christian Friedel) probeert het mysterie te ontrafelen en ondervraagt de kinderen die zich verdacht eensgezind opstellen onder leiding van het bijdehante dochtertje Klara (Maria-Victoria Dragus). Weten zij misschien wie Karli gemolesteerd heeft? Als hij zijn zorgen deelt met de dominee, wordt hem een verbanning in het verschiet gesteld: liever een doofpot dan een gemeenschap die uit elkaar valt.

Dan is er nog een sadistische huisarts, die na de dood van zijn vrouw zijn lusten botviert op de werkster. Als hij geen zin meer in haar heeft, zegt hij: "Je ruikt uit je mond, je huid is slap, je bent lelijk en verlept." De werkster, de nederigheid zelve, vermant zich en zegt eindelijk iets terug. "Je moet wel heel wanhopig zijn om zo hatelijk te doen." Maar de arts is onverbeterlijk: "God, kan je niet gewoon sterven?" Zou de arts misschien achter de vernielingen en mishandelingen zitten? Niemand die het weet.

Gevangenschap

Wie de schuldige is doet er ook niet toe. Das Weisse Band is een opvoering in orde. Geen rechtsorde, maar protestantse orde. De meest karakteristieke scène is het bezoek van de kleine Gustav (Thibault Sérié) aan zijn vader de dominee. Gustav heeft een ziek vogeltje gevonden en vraagt toestemming om het te verzorgen. "Dat is een zware verantwoordelijkheid", zegt de dominee. "Je zult vader en moeder tegelijkertijd zijn." Raak er niet aan gehecht, zegt hij gedecideerd, want de vogel moet uiteindelijk weer terug naar de vrije natuur.

"En Pipsi dan", vraagt het jongetje, doelend op het dan nog levende parkietje van de dominee. "Pipsi is in gevangenschap opgegroeid, die hoort in de kooi."




Het hallucinante universum van een dronkaard

Cultuur010, 29 november 2009
Het hallucinante universum van een dronkaard


"Eigenlijk is er niets met hem aan de hand, hij kan gewoon niet besluiten op te houden met drinken." Deze diagnose vat het toneelstuk Onder de vulkaan van Guy Cassiers treffend samen. Al voor de uitbarsting stikt de liefde in een giftige atmosfeer.

Door Steven de Jong

De diagnose is van Geoffrey’s huisarts. Geoffrey Firmin is een Britse consul in het Mexico van de jaren dertig en hoofdpersoon in de roman Onder de vulkaan (1947) van Malcolm Lowry. De schrijver – die zelf ook verslaafd was aan alcohol - overleed in 1957 op 48-jarige leeftijd onder verdachte omstandigheden. Suïcide met slaappillen, zo is het vermoeden.

Guy Cassiers, regisseur en artistiek leider van het Toneelhuis in Antwerpen, brengt het boek nu als toneelstuk. Zaterdag 28 november 2009 trad zijn theatergezelschap op in de Rotterdamse Schouwburg.

Bemoeien

Net als Malcolm Lowry stopt hoofdpersoon Geoffrey Firmin (gespeeld door Josse de Pauw, tevens tekstschrijver van het stuk) ook pas met drinken als hij er dood bij neervalt. Hij wordt neergeschoten na een ruzie die hij in dronkenschap uitlokte. Het benevelde brein van de consul maakt van hem een taalvirtuoos en zelfverklaard filosoof, die - hoe mystiek zijn theorieën ook zijn - de wereld toch maar mooi zegt waar het op staat. "Je met het leven van een ander bemoeien. Dát is wat de ellende de wereld inbrengt", aldus zijn sneer naar het communisme.

Vluchten

Terwijl alles uit zijn handen klettert - huwelijk, baan, gezondheid, vriendschap - neemt hij de toeschouwer mee in het "hallucinante universum van een dronkaard", zoals de flyer het toneelstuk aanprijst. En vanuit dat perspectief is er inderdaad niets met Geoffrey, maar alles met de wereld aan de hand. De drank zet hem op de stoel van de alwetende commentator die het gepeupel bestemmingsloos voorbij ziet schuifelen, met de verloren en weer teruggekomen liefde Yvonne voorop. Zij die zich slechts om inferieure zaken als genegenheid en haar gedroomde boerderij - "met kippen en paarden" - in Canada kan bekommeren. En toch heeft ook Yvonne (Katelijne Damen) haar mysterieuze kant, wat zich uit in het loslaten van een arend die ze met haar ogen volgt tot ze duizelig wordt.

De drang om te vluchten, een dankbaar literair onderwerp, is wat de personages bindt. De halfbroer Hugh (Marc van Eeghem) is een cowboy geworden in Texas (en even terug om zijn broer te redden), ex-vrouw Yvonne mijmert over een nieuw leven in Canada en Geoffrey - die het in zijn huis met verwilderde tuin best nog even wil uitzingen - neemt in geestelijke zin de benen.

Willen

Alleen goede vriend en buurman Quincey (Bert Luppes) is een vast baken in de eruptie van emoties. Hij vertegenwoordigt - in de woorden van Geoffrey - "de koele wereld", het nuchtere aardse bestaan. "Je denkt alleen maar aan waar je het volgende shot vandaan kan halen. Ik vind dat je haar onverschillig behandelt", zegt hij vermanend. "Zit er dan geen restje tederheid aan jou?" Toch wel, al uit de consul dat wat onbeholpen en niet op de momenten waarop het betekenis krijgt. Want Quincey heeft zijn vriend onder de tafel zien kruipen en horen smeken om Yvonnes terugkomst. Nu ze er is, als laatste poging om de relatie nieuwe leven in te blazen, foetert hij haar uit. "Heb jij ooit wel eens iets voor iemand anders dan jezelf gedaan?"

Een verwijt dat maar ten dele waar kan zijn. Yvonne houdt zielsveel van hem, ondanks zijn drankzucht. Dat hij haar brieven niet beantwoordde, legt ze uit als een waanidee: Geoffrey denkt zich te moeten opofferen opdat zij met een ander gelukkig kan worden. Onzin, meent Yvonne, want ze wil maar één ding. "Zuiver ergens opnieuw beginnen." Met hem en niemand anders. "We zouden zo gelukkig kunnen zijn."

Strijden

Terwijl iedereen met Geoffrey bezig is, is Geoffrey bezig met alles en iedereen. Hij filosofeert over het Hof van Eden en de bedoeling van hemellichamen. Hij zweeft met zijn hoofd in een andere dimensie, terwijl zijn fysieke gestalte balanceert tussen het luxe diplomatenleven en de smerige goot, waar hij een zwerver ontmoet die hem wél begrijpt. Want hoe beschonken hij ook is, Geoffrey kent wel degelijk een vorm van zingeving. "Ik strijd tegen de dood en voor het behoud van het menselijk bewustzijn." Yvonne geeft haar strijd langzaam op. "Ik ga weg", waarschuwt ze. Zij ziet in haar voormalige echtgenoot "een verloren ziel die rondtast in het duister van de herinnering".

Gevangen

Onder de vulkaan laat zien dat een groot werk geen ingewikkeld plot of spanningsboog hoeft te hebben, maar 'slechts' taalkundig subliem moet zijn. Hoewel Guy Cassiers flink uitpakt met exotische beelden uit de omgeving van Mexico-stad, geprojecteerd op de achterwand, blijft het op de planken sober. De eerste tien minuten zien we alleen een man op een stoel, die in het donker een monoloog houdt. Zo bezien kan het zich meten aan Dagboek van een gek, het boek van Nikolai Gogol die het verhaal vertelt van een aan lager wal geraakte ambtenaar in het 19de-eeuwse Rusland. Regen die op het dak klatert, wind die door de bomen suist, het opfladderen van een duif, het minutieus beschrijven van karaktertrekken. Dat werk, waarin tussen de regels de nietigheid van het bestaan, en in het bijzonder de uitzichtloosheid ervan, op de korrel wordt genomen.

Gedachten die als tralies om de hoofdpersoon zitten. Die gevangenschap - incluis bezorgd bezoek - brengt Guy Cassiers indringend op het toneel met geloofwaardige acteurs. "De bliksem slaat tussen de bomen door met een woest, krullend geluid." Met dat soort zinnen wordt de toeschouwer een uur lang beschoten. Of in de woorden van de makers: "Terwijl hijzelf implodeert, explodeert de taal in zuivere poëzie."

J. Kessels The Novel: een aanklacht tegen het kantoorleven

nrc.nl, 6 april 2009
J. Kessels The Novel: een aanklacht tegen het kantoorleven


Schrijvers hebben doorgaans weinig op met het kantoorleven. Maar P.F. Thomése maakt het in J. Kessels The Novel wel heel bont. Tussen de regels door wordt de hardwerkende burger genadeloos afgezeken.

Door Steven de Jong

Volgens de achterflap is J. Kessels The Novel "een krankzinnig verslag van een ongeplande reis". NRC Handelsblad duidde het in maart bij uitgeverij Contact verschenen boek van P.F. Thomése als een "snackbarromance annex speurdersroman". Het Parool noemt het "een persiflage op een hard-boiled misdaadverhaal" en Vrij Nederland houdt het kortweg op "een road novel". Stuk voor stuk typeringen van een boek dat in wezen eigenlijk iets heel anders is, namelijk een humoristische aanklacht tegen het kantoorleven.

Die aanklacht zit 'm in het beschimpen van Berend de Bray, het stereotype van een kantoorman met een leasebak. 'Bertje', zoals hij denigrerend wordt genoemd, is eigenaar van het onderzoeksbureau De Bray & Partners en praat alsof hij van hoogglanzend promotiemateriaal voorleest. Hij huurt de hoofdpersonages P.F. Thomése en J. Kessels (in het echte leven inderdaad de auteur en zijn beste vriend) in om een vermiste ondernemer uit Breda op te sporen. Die opdracht vormt de verhaallijn, maar de boodschap van het boek halen we uit het geroddel over Berend en de zoekgeraakte ondernemer Perry Boone.

Doorvergaderde bedrijfseikel

Perry, directeur van Harico Import-Expert BV, is namelijk een "doorvergaderde bedrijfseikel waar waarschijnlijk niemand mee zat dat ie weg was". Van zulke lui heb je zo weer een nieuwe, weet Thomése. "Even de kop erop schroeven en rijden maar weer. Seriewerk." Thomése en Kessels zijn uit ander hout gesneden. Thomése is als personage ook schrijver en Kessels is een man die overal een "kuthekel" aan heeft. Eén die typische eisen stelt aan reis en verblijf. Onderweg moet er gewoon stug doorgerookt kunnen worden en het hotel moet niet al te veel poespas hebben. "Hoe lamlendiger hoe beter."

Ingekakte kantinekroket

De botsing tussen de kantoorcultuur van Berend en het zorgeloze leven van Kessels en Thomése komt het best tot uiting in het werkoverleg dat maar niet van de grond wil komen. Berends pogingen om "de te voeren strategie" te bespreken mislukken bladzijde na bladzijde. Een conference call? Met dat soort gezeik hoefde je bij J. Kessels niet aan te komen, zegt Thomése als hij door Berend wordt wakker gebeld nadat hij die nacht "door omstandigheden flink heeft doorgezopen". Met trivialiteiten als uren schrijven, planning en research willen ze niet lastig gevallen worden. "Als er tijdens de opdracht maar voldoende kan worden gezopen. Dat is zijn punt. Daar wil hij geen gezeik over, achteraf", zo verwoordt Thomése de secondaire arbeidsvoorwaarden van zijn vriend. "Wat dacht hij wel, dat stuk kantoormisère? Wist hij wel tegen wie hij het had, die ingekakte kantinekroket?"

Manuscript als onderzetter

Inderdaad, het boek is weinig lovend over wat in Haagse kringen de 'hardwerkende burger' wordt genoemd. Inwisselbaar kantoorfabricaat, vergadertijger, bedrijfsdrol, doorvergaderde bedrijfseikel; het idioom van Thomése is wat dat betreft onuitputtelijk. Heeft de schrijver misschien in het echt ook een afkeer van kantoorrituelen?

"Alles klopt. Waar gebeurd", zei Jos Kessels tegen Jeroen Vullings in Vrij Nederland. Dat is een vrijbrief om het boek van P.F. Thomése autobiografisch te behandelen. Het bewijs voor de gelijkenis tussen het personage P.F. Thomése en de schrijver P.F. Thomése vinden we in de ruzie die de auteur had met zijn voormalige uitgever Querido. Het manuscript van zijn verhalenbundel Greatest Hits (2001) had daar namelijk een jaar op de verwarming gelegen. Dienend als "onderzetter voor koffiebekertjes", zei Thomése tegen Vrij Nederland. "Ik had die verhalen met zoveel plezier geschreven, en daar verdwenen ze in de kantoorroutine van iemand die achter zijn bureau wachtte tot de vijf weer in de klok zat. 'We zijn er mee bezig', hoorde ik dan." Dat Thomése zich ook in het echte leven niet laat kisten, blijkt uit zijn uitbarsting destijds in het kantoor van Querido. Het verhaal gaat dat hij de stapels manuscripten op het bureau van redacteur Anthony Mertens, na een woordenwisseling, in één zwaai heeft weg geveegd.

Nooduitgang tekenen

Zo beschouwd kunnen we P.F. Thomése toevoegen aan het illustere gezelschap Kafka, Nescio (pseudoniem van J.H.F. Grönloh), J.J. Voskuil en Aart van der Leeuw. Schrijvers die hun frustraties over het kantoorleven van zich af hebben geschreven. Franz Kafka en Aart van der Leeuw als assurantiënklerk, J.J. Voskuil als bureauwetenschapper en J.H.F. Grönloh als procuratiehouder. "Voor de auteurs zelf vormde het geschrijf buiten kantooruren een noodzakelijke ontsnapping aan de dagelijkse kantoorsleur", stelt cultuurhistoricus Remco Ensel in zijn boek Alleen tijdens kantooruren (Vantilt, 2008). Of zoals P.F. Thomése het vorige maand in De Standaard verwoordde: "Schrijven is een nooduitgang tekenen op het bordkarton van onze werkelijkheid."

P.F. Thomése: J. Kessels The Novel, Contact, 220 blz. € 16,95

Het Innovatieplatform: porren in de polderklei

Boekcover.nl, 5 maart 2009
Het Innovatieplatform: porren in de polderklei


Een motor van productiviteitsgroei. Ja, premier Balkenende legde als voorzitter van het Innovatieplatform de lat hoog. Anno 2009, zes jaar na de oprichting, is het 'comité van nationale redding' een stuk bescheidener.

Door Steven de Jong

"Het Innovatieplaform is één van de weinige plekken waar innovatie echt op de agenda staat", zei Robbert Dijkgraaf 28 februari j.l. op Radio 1. De universiteitshoogleraar was uitgenodigd omdat hij als lid van het platform de dag ervoor "de jaarlijks terugkerende evaluatie van de Kennisinvesteringsagenda" had gepresenteerd. Wat dat is doet er niet zoveel meer toe. Want het Innovatieplatform heeft allang niet meer de ambitie om een doorbraak te forceren, laat staan dat ze daartoe in staat is.

Metaforen

Soms, als je de publicaties van het platform doorploegt, krijg je de indruk dat er in de vergaderingen van de zwaargewichten alleen maar metaforen bedacht worden. “Innovatievouchers”, “groeiversnellers”, “Kennisinvensteringsagenda-foto”; het zou om te lachen zijn als het niet zo treurig was. Want wie op Innovatieplatform.nl de menulink 'Resultaten 2003-2007' aanklikt (waar is 2008 eigenlijk?) wordt niet veel wijzer.

Hoekpanden


Ook niet veel wijzer worden we van het boek 'Het Innovatieplatform' (Academic Service, 2008), geschreven door Frans Nauta. Als voormalig secretaris was hij een goede insider, maar ook hem lukt het niet de wapenfeiten te resumeren. Sterker, hij heeft zelfs een heel hoofdstuk gewijd aan hoe het Innovatieplatform een actie als wapenfeit in de belangstelling kan krijgen. Dat noemt hij de hoekpanden-theorie, wat kortweg hier op neerkomt: wie als aannemer een buurt aanpakt, moet met de hoekpanden beginnen. Die ziet het publiek namelijk van drie kanten, op kruisingen. Mensen krijgen dan het idee dat er hard gewerkt wordt, ze zien snel resultaat.

Centrum van de macht


En daar komen we bij de crux. 'Innoveren in het centrum van de macht', zoals de ondertitel luidt, gaat niet over Master-plannen, maar over kantoorpolitiek. Het aardige aan Nauta's boek is daarom dat je er alledaagse, zakelijke beslommeringen in kunt herkennen. Een vergadering die verzandt in geneuzel achter de komma, een stichtingsbestuur dat naar wapenfeiten zoekt om donateurs tevreden te stellen, collega's die je niet mag maar toch mee door moet. Druk van boven, druk van onderen.

Vergezichten

Toch was het Innovatieplatform allesbehalve alledaags. "Niet eerder was er er in de geschiedenis van de Staat der Nederlanden zoveel macht en reputatie samengekomen in een adviescommissie", schrijft de auteur. "Het had wel iets van een comité van nationale redding, zoals NRC Handelsblad het later omschreef." Wat er gered moest worden, blijft vaag. Officieel was het Innovatieplatform in het leven geroepen om van Nederland een "swingend kennisland" te maken. "Nederland moet beter zijn koppie gaan gebruiken", zei Balkenende ooit op een conferentie. Of in de taal van het eerste persbericht: "Het Innovatieplatform moet plannen opstellen en een visie ontwikkelen teneinde een impuls te geven aan innovatie in Nederland als motor van productiviteitsgroei en economische ontwikkeling." Vergezichten dus, zaken waar ambitieuze bestuurders over mijmeren bij een haardvuur. Echte urgentie ontbrak, behalve dan de alarmbel dat "Nederland zakt op de internationale lijstjes" en de tegeltjeswijsheid dat stiltstand achteruitgang is.

Finland

Onder het motto 'beter goed bedacht dan slecht gejat' werd Finland als voorbeeld genomen. Dat was geheel te danken aan Frans Nauta, destijds voorzitter van stichting Nederland Kennisland. Hij had onderzocht hoe de Finnen zich sinds de jaren tachtig hadden opgewerkt van een achterstandsland tot de meest innovatieve economie van Europa. "Mijn onderzoek liet zien dat het Finse succes geen toeval was, maar het resultaat van twintig jaar gedegen beleid." Een succesverhaal dat in 1985 begon met de instelling van de zogeheten Science and Technology Policy Council (STPC). "Welk onderzoek we er ook bij pakten", memoreert Nauta, "de Finnen scoorden systematisch beter dan andere Europese landen. Of het nou ging om de kwaliteit van het onderwijs, het aantal hoog opgeleiden, het aantal onderzoekers per duizend inwoners, de groei van investeringen in onderzoek en ontwikkeling, alle statistieken gaven aan dat de Finnen het steengoed deden." Een bewijs van die nieuwe Finse vitaliteit was de opkomst van Nokia tot wereldleider op het gebied van mobiele telefoons. Veelzeggend is wat de directeur strategie van Nokia aan Nauta toevertrouwde: "Zonder de Finse overheid was Nokia nooit geweest wat het nu is." Een uitspraak die je niet snel los krijgt van een Nederlandse ondernemer.

Kennis en bedrijvigheid


Wat deed die Finse overheid dan? Ze legde een voedingsbodem, zoals dat heet, waardoor bedrijfjes als paddestoelen uit de grond schoten. De ingrediënten waren voorhanden. Finland was gezegend met een hoogopgeleide bevolking, veel technische onderzoekers, een internationaal georiënteerde cultuur en een bevolking die goed Engels spreekt. Maar het recept om die ingrediënten te mixen tot een "land met ideale vestigingsvoorwaarden voor knowledge based industries" moest nog geïmplementeerd worden. Dat recept was min of meer voorhanden, in de gedaante van het Stanford Research Park, dat in 1951 haar deuren opende in Palo Alto, Californië. Het idee erachter: vestig onderzoeksafdelingen van bedrijven bij universiteiten, concentreer kennis, talent en ondernemerschap. Het softwarebedrijf SUN, voluit Stanford University Network, was het eerste antwoord op deze succesformule. Maar ook Hewlett Packett, Yahoo! en Google zijn allemaal gestart door Stanfordstudenten. Er ontstond zelfs een speciale vorm van bankieren rondom Stanford, gespecialiseerd in risicovolle financiering van startende bedrijven, het zogenaamde venture capital.

De Finnen besloten deze brandstofmix van talent, kennis en ondernemerschap te injecteren in hun eigen economie. In tien jaar tijd kregen de meeste universiteiten en hogescholen een campus voor bedrijven. Maar dat ging niet vanzelf. De activiteiten werden vanuit de hoogste regionen aangejaagd. De president leidde de STPC samen met zijn ministers van Financien en Onderwijs en Economische Zaken. Om verzekerd te zijn van politiek draagvlak van de STPC werden er, afhankelijk van de partijverhoudingen, een aantal extra ministers lid van de stuurgroep. Daarnaast schoven zwaargewichten uit het onderwijsveld, de onderzoekswereld, het bedrijfsleven en vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers aan. "De STPC werd en wordt gezien als een belangrijke bouwsteen van het Finse succes", aldus Nauta, die aan zijn spionagewerk zijn secretarisschap heeft te danken.

Kantoorpolitiek

Zo bezien is het Innovatieplatform een exacte kopie van de STPC. Maar waarom is het Innovatieplatform dan niet de geschiedenis in gegaan als de STPC? Daarover heeft Frans Nauta een smakelijke anekdote. Mensen die hij ontmoet vragen hem regelmatig of het Innovatieplatform nog bestaat, wat inderdaad zo is. Vraag twee is dan of het nu wel een succes is. Nauta: "Ik antwoord dan dat het me veelzeggend lijkt dat de vraagsteller niet wist of het Innovatieplatform nog bestond."

Hoewel Nauta zijn best heeft gedaan er een constructief verhaal van te maken, met zelfkritiek en 'survivaltips voor vernieuwers in de polder', lees je de frustratie tussen de regels door. Het boek staat zo bol van 'gedoe' dat het eerder iets weg heeft van een sociaal-emotionele les in kantoorpolitiek. Of beter gezegd: een les in polderen.

Intelligent

Herman Wijffels, ook wel omschreven als de "beste minister-president die Nederland nooit heeft gehad", is Nauta's mentor geweest in dit gedoe. "Het zit heel diep", zo schetste Wijffels het poldermodel. Nederland is volgens hem een land zonder machtscentrum. "Je bent altijd afhankelijk van belangen. Den Haag is de hoofdstad, zodat Amsterdam niet te machtig zou zijn. Het stelsel voorkomt zorgvuldig dat er zich meerderheden vormen." Je kunt de polder niet opheffen, benadrukt Wijffels, de kunst is om er intelligent mee om te gaan.

Politiek

En dat is precies waar het boek over gaat. Over polderen. Intelligent polderen. Dat is wat het Innovatieplatform doet: polderen, polderen en nog eens polderen. Op de vraag van de Radio 1-verslaggever waarom het platform zo weinig zichtbaar resultaat boekt, verwees het lid Dijkgraaf naar de politiek. “Zij moeten ervoor zorgen dat al onze punten in hun partijprogramma staan.” Het punt is politiek draagvlak te vinden, zo verdedigde Dijkgraaf zijn team. ”De politiek moet de uiteindelijke keuze maken.”

De politiek dus. Maar het Innovatieplatform is toch politiek? Of zijn Maria van der Hoeven (minister van Economische Zaken), Ronald Plasterk (minister van Onderwijs) en Jan Peter Balkenende (minister-president) voor spek en boden lid?

Individueel succes is een product van de maatschappij

nrcnext.nl, 20 januari 2009
Individueel succes is een product van de maatschappij


Om de top te bereiken hoef je geen natuurtalent te zijn. ‘Goed genoeg’ zijn is voldoende. Echt succes is namelijk geen individuele verdienste, betoogt Malcolm Gladwell in zijn boek Uitblinkers. “Succes is een product van de maatschappij.”

Door Steven de Jong

Genialiteit is uitzonderlijk, maar waarom blinkt niet elk genie uit? Malcolm Gladwell (1963), voormalig wetenschapsjournalist van de Washington Post, verklaart dat in zijn boek (Uitgeverij Contact, 2008) aan de hand van zijn eigen basketball-theorie. “Een speler van 2,03 meter is niet automatisch beter dan iemand die 5 centimeter korter is. Michael Jordan, de beste speler ooit, was tenslotte 1,98. Een basketbalspeler hoeft alleen maar lang genoeg te zijn, en dat geldt ook voor intelligentie”, aldus de auteur.

Het IQ-minimum

Dat je voor wetenschappelijk uitmuntende prestaties alleen maar ‘slim genoeg’ hoeft te zijn, zegt ook de Britse psycholoog Liam Hudson. “Het is ruimschoots bewezen dat iemand met een IQ van 170 meer kans heeft om goed te kunnen denken dan iemand met een IQ van 170”, zo citeert Gladwell de wetenschapper. “En dit gaat ook op als de vergelijkingspunten veel dichter bij elkaar liggen, bijvoorbeeld IQ’s van 100 en 130. Maar de relatie lijkt weg te vallen zodra we mensen vergelijken die allebei een relatief hoog IQ hebben. Een volwassen wetenschapper met een IQ van 130 heeft net zoveel kans om een Nobelprijs te winnen als een wetenschapper met een IQ van 180.”

Tienduizend uur oefenen

Het bereiken van de top doe je niet op intelligentie alleen, is Gladwells overtuiging. Die bewering onderbouwt hij met een onderzoek van de psycholoog K. Anderson Ericsson. Die verdeelde violisten van de Berlijnse Hochschule für Musik in drie groepen. Een groep die het potentieel had om tot de wereldklasse te gaan behoren, een groep die gewoon goed was en een groep die van plan was muziekleraar te worden op openbare scholen. Het eigenaardige aan Ericssons onderzoek, zo schrijft Gladwell, is dat hij geen ‘natuurtalenten’ kon vinden; musici die met minimale studie fluitend naar de top doorstootten. Evenmin was er sprake van ‘doorzetters’; musici die alleen maar door keihard te studeren sublieme prestaties leverden. Integendeel: “Op hun twintigste hadden de uitverkoren spelers er allemaal in totaal tienduizend uren studie op zitten. De gewoon goede spelers hadden achtduizend uren gestudeerd en de toekomstige muziekleraren net iets meer dan vierduizend.”

Basketballspelers, wetenschappers, musici. Zij hoeven dus alleen maar lang of goed genoeg te zijn. Het onderscheid tussen zij die professioneel hun vak uitoefenen en zij die tot de wereldklasse gaan behoren wordt vooral bepaald door hoe hard er wordt gewerkt. "Sterker: degenen aan de uiterste top werken niet zomaar veel harder. Ze werken, veel, véél harder.”

Gladwell illustreert zijn theorie met overtuigende voorbeelden. Wolfgang Amadeus Mozart (1756 - 1791), de componist wiens genialiteit niet ter discussie staat, begon op zijn zesde met het schrijven van muziek. Toch maakt Gladwell een kanttekening aan de hand van biografieën over Mozart. Volgens de psycholoog Michael Howe, auteur van Genius Explained, zijn Mozarts vroege werken, naar de standaarden van rijpe componisten, niet opvallend. “Van de werken die alleen oorspronkelijke muziek van Mozart bevatten, is het vroegste dat we nu als meesterwerk beschouwen (nr. 9. K. 271) pas gecomponeerd toen hij eenentwintig was: tegen die tijd was Mozart al tien jaar bezig geweest met het componeren van concerten.” De muziekcriticus Harold Schonberg gaat nog verder, schrijft Gladwell. De componist die een stempel drukte op de klassieke muziek zou eigenlijk een “laatbloeier” zijn: het beste werk kwam pas uit zijn handen toen hij meer dan twintig jaar bezig was geweest met componeren.

Hetzelfde zou opgaan voor schaakgrootmeesters, zoals de Russische Garri Kasparov. Op 22-jarige leeftijd kwalificeerde hij zich als jongste wereldkampioen aller tijden, en jaren daarvoor stond hij al aan de top van het jeugdklassement. Net als Mozart behoorde Kasparov dus ook pas na tien jaar oefenen tot de wereldklasse. “Alleen de legendarische Bobby Fischer bereikte dit uitverkoren niveau in minder tijd: hij deed er negen jaar over”, aldus Gladwell.

Die tien jaar komt telkens terug in het boek van Malcolm Gladwell. “Dat is ongeveer de tijd die nodig is om tienduizend uren hard te kunnen oefenen. Tienduizend uren is het magische getal voor grootheid.”

Hamburg

Tienduizend uur, in tien jaar dus. Maar waar haal je die tijd vandaan? Naast school, naast werk. De omgeving van een genie moet daartoe de juiste condities scheppen. Ook hierin heeft Gladwell zich verdiept; het recept voor wereldklasse is volgens hem niet alleen een kwestie van oefenen. Nee, talenten hebben hun ‘Hamburg’ nodig. Daarmee doelt hij op de periode van de Beatles voordat zij als band doorbraken. “In 1960, toen ze nog maar een worstelende middelbare-schoolrockband waren, werden ze uitgenodigd om in Hamburg in Duitsland te spelen”, weet Gladwell. “Er was een bepaalde clubeigenaar die oorspronkelijk kermisbaas was. Hij vatte het plan op om rockgroepen in verschillende clubs te laten spelen. Ze hadden een formule. Het was een enorme non-stopshow. De bands moesten aldoor blijven spelen om het voorkomende verkeer vast te houden.” In Liverpool hadden de Beatles nooit sessies van langer dan een uur gedaan en speelden ze bij elke gelegenheid alleen maar hun beste nummer, zoals zoveel bands doen. “Maar in Hamburg”, zo vertelde John Lennon in een interview, “speelden we acht uur aaneen. We moesten echt een nieuwe manier van spelen zien te vinden.”

Alles bij elkaar traden ze 270 avonden op in net iets meer dan anderhalf jaar. Tegen de tijd dat ze in 1964 hun eerste uitbarsting van succes hadden, hadden ze ongeveer 1200 keer live opgetreden. Dat is meer dan de meeste bands van tegenwoordig in hun hele carrière doen. “Het is de vuurproef die de Beatles van de anderen onderscheidde”, aldus Gladwell.

Ook Bill Gates, oprichter van Microsoft, zou zijn Hamburg hebben gehad. Toen hij in de tweede klas zat kocht zijn school, het particuliere Lakeside, de zogenaamde ASR-33 Teletype. Een timesharingterminal die een directe verbinding had met een mainframecomputer in de binnenstad van Seattle. “Bill Gates kon gaan programmeren in de tweede klas van de middelbare school in 1968! Vanaf dat moment woonde Gates in de computerruimte”, schrijft Gladwell. Het was geen gewone computer, maar het nieuwste van het nieuwste: een die zonder het tijdrovende ponskaartensysteem werkte, waarmee computerwetenschappers in die tijd zelfs nog mee in de weer waren. “Het was een obsessie voor me. Het kwam maar zelden voor dat we in een week minder dan twintig of dertig uur bezig waren”, aldus Gates over zijn middelbareschooltijd.

Steve Jobs, medeoprichter van Apple Computer (tegenwoordig Apple Inc.), heeft volgens Gladwell ook zijn Hamburg gehad. Hij groeide op in Mountain View Calfornia, even ten zuiden van San Francisco, in het epicentrum van Silicon Valley, het industriegebied waar bedrijven als Hewlett-Packard en Intel het licht zagen. Jobs was een knutselaar en struinde alle elektronicabeurzen af op zoek naar onderdelen. Maar hij had ook lef: om gratis aan onderdelen te komen belde hij oprichter Bill Hewlett op. “Jobs kreeg niet alleen de gevraagde onderdelen, maar hij wist ook een vakantiebaan los te peuteren”, vermeldt de biografie Accidental Millionaire. “Jobs werkte bij een assemblagelijn voor het bouwen van computers en hij was zo gefascineerd dat hij er zelf een probeerde te bouwen.” In de woorden van Gladwell: “Jobs groeide in de branche op waar hij later zou heersen.”

Wees jong als de revolutie uitbreekt

Natuurlijk zijn er ook tal van tycoons die niet hun Hamburg hebben gehad. Maar het gaat Gladwell om de patronen. Om die te ontdekken heeft hij de Forbes-lijst van de 75 rijkste personen ooit bestudeerd. In de lijst, die aangevoerd wordt door grootindustrieel John D. Rockefeller (1839 - 1937), ontdekte hij dat 14 van de 75 rijksten allen Amerikaan zijn die binnen negen jaar van elkaar zijn geboren in het midden van de negentiende eeuw.

Toeval? Allerminst, betoogt Gladwell. “In de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw maakte de Amerikaanse economie misschien wel de grootste metamorfose van haar geschiedenis door. Het was de tijd waarin de spoorwegen werden aangelegd en Wall Street in opkomst was. Het was de tijd waarin de industriële fabricage pas goed begon. Het was de tijd dat alle regels volgens welke de traditionele economie had gefunctioneerd, werden gebroken en opnieuw gemaakt.” Als je echt wilde profiteren van die condities moest je begin twintig zijn ten tijde van de metamorfose. “Je moest geboren zijn tussen 1831 en 1839.”

Terug naar Steve Jobs (24 februari 1955) en Bill Gates (28 oktober 1955). Zij waren begin twintig toen de Altair 8800, de eerste minicomputer ter wereld, in januari 1975 op de markt kwam. Dat moment wordt aangemerkt als de belangrijkste datum in de geschiedenis van de pc-revolutie. “Als januari 1975 de dageraad van het pc-tijdperk was, wie zou dan in de beste positie zijn om daar zijn voordeel mee te doen? Hier gelden dezelfde principes als in de tijd van John Rockefeller. Allereerst zou je natuurlijk niet te oud moeten zijn aan het begin van de revolutie. Alleen de jongeren hebben de vrijheid en het lef om een nieuw paradigma te omarmen”, zo duidt Gladwell de overeenkomst. Ook Bill Joy mag hier niet onvermeld blijven. Deze oprichter van Sun Microsystems, geboren op 8 november 1954, wordt wel de Edison van internet genoemd. “Als hij wat ouder was geweest, zou het venstertje dat hem de kans gaf om een ondersteunende code voor internet te schrijven intussen gesloten zijn.”

Niet iedere softwaretycoon werd in Silicon Valley geboren in 1955, geeft Gladwell toe. “Sommigen werden dat niet, net zomin als elke zakenreus in de Verenigde Staten in het midden van de jaren dertig van de negentiende eeuw werd geboren. Maar hier zijn heel duidelijk patronen waar te nemen, en het opvallende is dat we daar zo weinig over lijken te willen praten. We doen alsof succes een kwestie is van individuele verdienste, maar uit niets in de verhalen die we tot nu toe hebben gezien blijkt dat de zaken zo eenvoudig zouden liggen.”

Product van de maatschappij

Alle uitblinkers profiteerden volgens Gladwell van de een of andere ongewone kans. “Het lijkt erop dat meevallers bij softwaremiljardairs, rockbands en topatleten geen uitzondering zijn, maar regel.” Zij werden volwassen in een tijd waarin een extra inspanning werd beloond door de rest van de maatschappij.

Datgene wat wij als talent zien is volgens Gladwell in werkelijkheid een ingewikkelde combinatie van aanleg, kansen en een volkomen willekeurig voordeel. Gladwell betoogt zelfs dat Mozart, Gates en Rockefeller hun successen niet zelf gecreëerd hebben, maar dat hun succes een product was van de wereld waarin zij opgroeiden.

“Er zat een logica achter”, zo richt Gladwell zich op bladzijde 76 tot zijn lezers. “Bedenk eens welke aanlokkelijke mogelijkheden zich zouden voordoen als we die logica begrepen.” Iedereen die tot de absolute top wil doorstromen zou er volgens Gladwell goed aan doen zijn eigen Hamburg op te zoeken.

De maakbare markt

Boekcover.nl, 14 december 2008
De maakbare markt


Overheden hebben niet het kapitaal, de menskracht en de kunde om alle publieke taken te vervullen. Daar zijn bedrijven voor nodig met private belangen. Elaine C. Kamarck legt in The End of Government uit waarom de statiegeldfles een succes was en de liberalisering van de energieproductie een fiasco.

Door Steven de Jong

De Koude Oorlog was een duel in overheidsmanagement, stelt Elaine C. Kamarck in haar boek The End of Government As We Know It: Policy Implementation in the 21st Century (2006, Lynne Rienner Publishing).
Terwijl de Sovjet-Unie de wapenindustrie binnen de stellingen van haar totalitaire bureaucratie hield, besteedde Amerika research and development voor een groot deel uit aan private marktspelers. De uitkomst is bekend: de snelle jongens wonnen van de control freaks.
Toch is Kamarck, Harvard-docent en oud-adviseur van de Clinton-Gore regering, uiterst terughoudend in het aanbevelen van wat ze government by market noemt. Want uiteindelijk wordt een overheid niet afgerekend op haar innovatief vermogen en slagkracht, maar op hoe transparant haar besluitvormingsprocessen zijn en beslissingen verantwoord kunnen worden. "Het publiek kan in traditionele bureaucratieën iedere overheidsstap volgen, omdat alles tot in detail wordt geregistreerd", benadrukt Kamarck. Principes als rechtsgelijkheid, democratisch verkozen vertegenwoordiging en rekenschap zijn verankerd in bureaucratieën. 
Wat gaan we doen?
In de praktijk kan dat leiden tot wrange dilemma's, zo ondervond de New York Police Department. Corruptie onder de dienders noopte de korpsleiding tot het opstellen en handhaven van personele integriteitsregels, maar dat ging wel ten koste van de efficiëntie in het bestrijden van de criminaliteit. Maar wat is erger: een niet-integere agent of een crimineel die makkelijk kan ontsnappen aan een trouwe, maar trage pennenlikker? Traditionele bureaucratieën nemen het laatste voor lief. Hun managementdoelen zijn het naleven van regels en het stimuleren van uniformiteit. Daadkracht en innovatie worden nagestreefd, of beloofd in verkiezingstijd, maar hebben in de praktijk weinig prioriteit. 
Toch moet een overheid zich daar niet achter verschuilen, vindt Kamarck. Maar helaas is dat wel eigen aan democratieën: er is meer aandacht voor de vraag 'Wat gaan we doen?' dan voor de vraag 'Hoe gaan we het doen?'. Als bestuurders en politici daarover dan toch tot een beslissing gedwongen worden, handelen ze ideologisch en politiek gemotiveerd: zie de discussie over de liberalisering van nutsbedrijven, het is doorgaans erg voorspelbaar wie voor en wie tegen is. 
Hoe gaan we het doen?
Kamarck pleit voor een meer technische benadering: bekijk per beleidsgeval welke implementatievorm het meest geschikt is voor het bereiken van het beoogde, publieke doel. Ze noemt drie hoofdstromen: bureaucratiseren (maar dan wel zo efficiënt mogelijk), netwerken (government by network) en liberaliseren of dereguleren (government by market). 
Laten we met de eerste beginnen. Het begrip bureaucratiseren neemt Kamarck liever niet in de mond. Ze spreekt over reinvented government. Een overheid die opereert als een bedrijf, efficiënt en klantvriendelijk, maar het in wezen niet is. 
In het tweede model, government by network, benut de overheid de capaciteit van de samenleving. Veel van het publieke werk wordt hier weliswaar betaald door de overheid (subsidies), maar de uitvoerders zijn geen ambtenaren. Ze kunnen niet als zodanig aangestuurd en gecontroleerd worden. Government by network werkt het best bij beleidsdoelen die flexibiliteit, personificatie en innovatie vergen. Denk aan welzijnsinstellingen, kerken of burgers die zich in een stichting verenigd hebben om iets voor de samenleving te kunnen betekenen. 
Waar reinvented government doet alsof de overheid een private organisatie is, daar verschuilt government by network zich achter private organisaties. In het eerste geval weet de burger nog dat hij met een overheid te maken heeft, terwijl dat in het tweede geval een stuk minder duidelijk is. 
Het derde model, government by market, staat het verst af van de traditionele bureaucratie. Het publieke werk wordt hier niet of nauwelijks uitgevoerd door overheidspersoneel en gemeenschapsgeld wordt nauwelijks aangewend. Hier gebruikt de overheid state power om een markt te creëren die voorziet in een publieke behoefte. Een markt die zonder initiatief van de overheid nooit van de grond zou zijn gekomen. De dragers van government by market, zoals banken, postbestellers, verzekeringsmaatschappijen en telefoonaanbieders, noemen we 'systeemrelevant'. Dreigen die failliet te gaan, dan komt de overheid in actie zoals we tijdens de kredietcrisis hebben gezien. Dit geldt evenzeer voor mediaorganisaties. Denk aan de Publieke Omroep in Nederland, maar ook aan onafhankelijke kranten. Omdat kranten volgens de overheid belangrijk zijn, zelfs de vierde macht in een democratie genoemd worden, neemt ze haar verantwoordelijkheid wanneer die net als banken dreigen 'om te vallen'. 
Government by market
Het meest sprekende voorbeeld van government by market is niet de wapenindustrie, maar de statiegeldfles. In de jaren zestig zocht de Amerikaanse overheid naarstig naar een oplossing voor de met bierblikjes en frisdrankflesjes vervuilde bermen langs snelwegen. De vrouw van president Lyndon Johnson kwam toen op het idee om prullenbakken te plaatsen naast de snelwegen. Niet erg handig, zo beek. De publieke reinigingsdienst had onvoldoende capaciteit om alle prullenbakken op tijd te legen. 
Wat wel hielp was de introductie van de zogeheten Bottle Bill door de staat Oregon. "Uitzonderlijk", aldus Kamarck. "In plaats van het oprichten van een bureau voor het schoonmaken van snelwegen, creëerde de overheid een markt vanuit het niets." Een markt waarin individuen geprikkeld werden hun flessen in te leveren bij winkels. Niet omdat ze daartoe verplicht werden, maar omdat ze er geld mee kunnen 'verdienen'. Geld dat ze eerder afgedragen hebben bij aankoop van hun drank. 
Natuurlijk, niet iedereen laat zich voor een paar grijpstuivers verleiden tot goed gedrag. "Geen probleem", schrijft Kamarck, "want mensen zijn ook bereid andermans rotzooi op te ruimen voor geld." De statiegeldfles is een schoolvoorbeeld voor hoe het eigen belang verenigd wordt met het publieke belang. Kamarck is ervan overtuigd dat government by market het meest geschikte model is om een gedragsverandering in gang te zetten. "Government by market werkt het best bij beleidsissues waar de inzet van honderden, duizenden of zelfs miljoenen burgers nodig is om een beleidsdoel te bereiken." 
Twintig jaar later besloot het Amerikaanse Congres, in navolging van de statiegeldfles, het model van de Bottle Bill toe te passen op de luchtvervuiling. De zogenaamde Clean Air Bill, in Europa beter bekend als 'emissierecht', deed zijn intrede. 
Het concept van de handel in emissierechten is simpel: de overheid berekent hoeveel zwaveldioxide (of koolstofdioxide) het milieu binnen een jaar kan opnemen en deelt dat getal door het aantal fabrieken (rekening houdend met de omvang). Vervolgens trekt de overheid zich terug en de handel is geboren: vervuilende fabrieken kopen rechten op van fabrieken die geïnvesteerd hebben in schone productiemethoden. Deze financiële prikkel om het milieu te sparen is in alles vergelijkbaar met het inleveren van een statiegeldfles. Zoals het een consument nu geld kost om een fles de bosjes in te gooien, zo kost het een fabriek omzet als hij meer wenst uit te stoten dan zijn quotum. Dat het publiek belang hiermee gediend is blijkt uit de dertig procent SO2-reductie in de afgelopen dertig jaar. En, uiteraard, de schonere bermen van autosnelwegen. 
Aan de handel in het recht om te vervuilen is het nodige lobbywerk vooraf gegaan. De Environmental Protection Agency (EPA), een machtig overheidsinstituut in de Verenigde Staten, was fel tegen omdat het immoreel zou zijn. De staat moest volgens de EPA vervuiling met regelgeving aanpakken en niet - zoals met emissiehandel - rijke bedrijven de mogelijkheid geven hun milieuvervuiling af te kopen. Maar nu zijn zelfs de grootste milieuadepten voor government by market gevallen, stelt Kamarck vast. 
Government by market werd ook uitgeprobeerd in de energiesector. Met wisselend succes. Algemeen wordt aangenomen dat de beruchte energiecrisis in 2000 in de staat Californië het gevolg is van de geliberaliseerde energiemarkt vier jaar eerder. Het marktmechanisme had hier een kwaadaardig effect: stroomproducenten schroefden hun capaciteit terug om een hogere prijs te kunnen berekenen aan de elektriciteitsbedrijven. 
Het eigen belang van de producenten (meer geld voor hetzelfde product) schaadde het publieke belang (toegang tot stroom). Veel bedrijven moesten noodgedwongen de deuren tijdelijk sluiten omdat de gecreëerde schaarste een stroomtekort veroorzaakte. Waarom government by market hier zijn doel miste, werd pas achteraf duidelijk. De San Francisco Chronicle verklaarde het als volgt: "De vraag naar stroom nam in Californië voortdurend toe, omdat het aantal technologiebedrijven en het inwoneraantal bleef groeien. Maar de concurrentie op de energiemarkt bleef beperkt." 
Wijsheid achteraf, maar het was natuurlijk een misser om te denken dat in een log domein als de energieproductie als vanzelf nieuwe spelers hun slag zouden slaan. De investeringen die de staat in infrastructuur had gedaan konden private spelers onmogelijk opbrengen. Energiemagnaat Barbara Kates-Garnik refereerde zelfs aan the perfect storm, het waargebeurde verhaal over een kapitein die zijn vissers een storm in stuurde voor de vangst der vangsten. Het schip verging met man en muis, omdat ze in de barre, onvoorziene weersomstandigheden het schip niet meer de baas konden. Het onstuimige weer geldt hier als metafoor voor de onvoorspelbare markt. 
Government by network
Een andere, meer directe vorm van overheidssturing is government by network. Dat is niet nieuw. Kamarck vergelijkt dit met wat een eerdere generatie politieke wetenschappers the iron triangle noemde: de driehoek van ambtenaren, bestuurders en belangengroepen. Nieuw is dat er nu complete organisaties zijn opgericht met een private uitstraling maar een publieke taak. Op initiatief van het Amerikaanse ministerie van Economische Zaken werd bijvoorbeeld de Internet Corporation for Assigned Names and Numbers (ICANN) opgericht. De ICANN moet toezien op een eerlijke uitgave van domeinnamen, maar heeft geen winstoogmerk. Net als haar Nederlandse equivalent de SIDN, voluit de Stichting Internet Domeinregistratie. 
De staat gebruikt hier dus doelbewust zijn macht om een zeker beleidsdoel te verwezenlijken door niet-gouvernementele organisaties (NGO's) te contracteren, financieren en beïnvloeden. De bureaucratie wordt hier dus ingewisseld voor een groot palet aan organisaties, die als het even kan een betere reputatie (en performance) hebben dan de overheid zelf. In government by network laat de overheid het werk dat ze zelf had moeten doen door andere organisaties uitvoeren; het is de meest verstrekkende vorm van uitbesteden. De spelers binnen dit netwerk beperken zich niet tot de NGO’s. Kerken, onderzoekslaboratoria en universiteiten; stuk voor stuk vervullen ze publieke taken. 
Government by network is aantrekkelijk om twee redenen: het is niet bureaucratisch en het heeft de potentie om flexibel en innovatief te zijn. Karaktereigenschappen waar traditionele bureaucratieën tekortschieten. Een overheid die aan government by network doet wil iets dus zo graag dat ze bereid is de controle erop uit handen te geven. 
Uit bovenstaande zijn ook twee nadelen af te leiden. Ten eerste is government by network weinig democratisch. Of het overheidsgeld goed tot zijn recht komt is bij veel organisaties maar de vraag. Jaarrapportages, transparantie, ledeninvloed; iedere organisatie bepaalt zijn eigen standaarden en agenda. Een tweede nadeel is dat belangenorganisaties door hun financiële band met de overheid de schijn van belangenverstrengeling tegen zich hebben. Het is om deze reden dat een NGO als Greenpeace afziet van steun van de overheid. Want het credo 'wie betaalt bepaalt' blijft natuurlijk in zekere mate van toepassing. Maar niet iedere milieuorganisatie kan zijn eigen broek op houden. Milieudefensie, bijvoorbeeld, neemt grif geld aan van de overheid. Toen de organisatie, tijdens de affairre-Duyvendak, in opspraak kwam pleitte enkele Kamerleden voor afschaffing van de subsidies. Zij vonden dat procederen tegen de staat op kosten van de staat niet hoort. 
Uitholling van de overheid
Kamarck schetst in haar boek een beeld van de alom aanwezige overheid. Eén die de samenleving een bepaalde richting op kan duwen. Niet door uit te dijen, maar juist door zaken uit handen te geven. Aan de markt, maatschappelijke organisaties of burgers. 
Belangrijk is het onderscheid dat ze maakt tussen marktwerking en government by market. Het eerste ziet ze als iets waar de overheid nauwelijks invloed op heeft, het tweede als iets dat de overheid kan creëren zoals een boer een akker vruchtbaar kan maken. Tegelijkertijd stelt ze dat government by market ook het meest risicovol is. 
Het werkte bij de statiegeldfles en de emissiehandel. Maar niet bij de liberalisering van de energieproductie in Californië. Daar ging het mis omdat de private prikkels (kartelvorming om de Kwh-prijs kunstmatig hoog te houden) een negatief publiek effect (energieschaarste door kartelvorming) hadden. Dat terwijl de overheid juist had verwacht dat door concurrentie de prijs per Kwh omlaag zou gaan. 
De moraal van dit verhaal ligt beklonken in de mythe van the perfect storm: zodra de overheid haar handen ergens van aftrekt gaan de elementen (private spelers) ermee aan de haal. En dat is meteen de titelverklaring van haar boek The End of Government: een overheid die teveel vertrouwt op de samenleving (burgers en bedrijven) holt zichzelf uit en bewijst uiteindelijk niemand een publieke dienst.

De kassière die onze gewoonten ontsleutelde

nrcnext.nl, 14 december 2008
De kassière die onze gewoonten ontsleutelde


Anna Sam, een voormalig Franse kassière, heeft de hele samenleving als een karavaan aan zich voorbij zien trekken. Bellend, zwijgend en vloekend. Als stille getuige tekende ze haar observaties op. Haar boek, De Kassière, is het relaas van een dienstverlener die hunkert naar intermenselijk contact.

Door Steven de Jong

Een kassière scant gemiddeld 800 artikelen per uur, spreekt dagelijks zo’n 250 keer ‘TotZiensPrettigeDagNog’ uit en vraagt 200 maal om de klantenkaart. Haar naam is een nummer (‘Kassa 4, Kassa 4 alsjeblieft’) en haar armbewegingen geven een ‘bliep’.

Geen wonder dat we weleens vergeten dat aan het einde van de kassaband een mens van vlees en bloed zit. Sterker, de kassière twijfelt daar zelf ook weleens aan. “De een-tweetjes tussen de klant en jou zijn zo vluchtig dat je daar ook niet echt het gevoel van krijgt dat je leeft”, onthult Anna Sam in haar boek De Kassière (november 2008, Artemis & co). “Je bewegingen krijgen al snel iets machinaals, je besteedt niet meer echt aandacht aan wat je doet. Binnen een maand heb je het gevoel één te zijn met je kassa.”

‘Alsof ik een automaat ben’

Haar ‘leven achter de kassa’, zoals de ondertitel luidt, toont echter de klant in al zijn verschijningsvormen. Zo zijn daar de mensen die alvast hun partner of kind in de rij zetten om ondertussen nóg een mandje te vullen, niet weten hoe snel ze toiletpapier in hun karretje moeten begraven voordat iemand opmerkt dat ze ook weleens moeten poepen, vlak voor sluitingstijd binnenkomen voor de weekendboodschappen, stelletjes die elkaar aflebberen voor de kassa én de multitaskers die het doen van de boodschappen combineren met uitgebreide telefoonconversaties.

Van dat laatste type klant heeft Sam nog het meest de balen: “Die rukken de kassabon uit je hand alsof je een geldautomaat bent.” Gelukkig zijn er uitzonderingen. Mensen die “Ik bel je zo terug, want ik moet nu afrekenen” in hun mobieltje roepen om vervolgens de kassière te trakteren op een welgemeend ‘Hallo’. Maar dat soort klanten is “heel, héél, echt héél zeldzaam” weet Sam. “De kassières die er zo eentje zijn tegengekomen hebben het er nu nog over…”

Soms kan er geen knikje vanaf

Wat mensen kopen en hoe ze het kopen; Sam, een 29-jarige vrouw met een studie moderne letterkunde achter de rug en acht jaar werkervaring in een Franse supermarché, toont zich op dat gebied zowel profiler als socioloog. “Als ik zeg dat je achter de kassa de complete samenleving aan je voorbij ziet trekken, dan bedoel ik inclusief al het negatiefs dat die in zich herbergt.” Zoals een vogelspotter vanuit zijn hut de grutto van de wulp onderscheidt, zo gebruikt Sam de kassa als basis om de zich onbespied wanende supermarktklant van een psychotypisch etiket te voorzien. En als ze dan toch opgemerkt wordt als mens, dan is dat meestal functioneel: “Zie je, lieverd, als je niet goed je best doet op school wordt je kassière, net als die mevrouw.”

Sam, die haar voormalige werkplek nog het meest weg vindt hebben van een konijnenhok, heeft al die jaren gehunkerd naar intermenselijk contact. En naar waardering. Niet op het scorebord boven de centrale kassa, maar in de bevestiging van haar bestaan. Sam blijft bescheiden: een groet, een knikje, maar ook met oogcontact is ze al blij. Voor gezellige kletspraat heeft ze zelf natuurlijk, met drie minuten pauze per uur (“Als je dat zes uur opspaart heb je 18 minuten om te eten.”), ook geen tijd. En als er al kortstondig, bovenfunctioneel klantcontact plaats vindt, dan leidt dat soms tot bizarre verzoeken. Van “Wil je misschien wat met me gaan drinken” tot “Wil je vanavond met me naar bed?”. Ja, áls de klant contact wil dan maalt hij er niet om een paar stappen over te slaan.

‘Ik ben uw hond niet!’

Het échte contact kwam alleen tot stand als Sam tegengas gaf. Bijvoorbeeld bij de man in pak die uit ergernis over de weigering van kortingsbonnen zijn betaalpas naar haar smeet. “Meneer, ik weiger u te helpen. U bent veel te ver gegaan, ik ben uw hond niet!”, zo diende ze de klant van repliek, die vervolgens zijn excuses aanbood.

Soms is verbaal verweer geeneens nodig om de klant betaald te zetten dat hij de kassière als robot behandelt. Of erger: zijn karretje leegt zoals je dat met een vuilnisbak doet. “Je vriend de band kun je kleine bokkensprongen laten maken”, zo verklapt Sam haar geheime wapen. “En pof, het doosje eieren valt op de grond, en paf, een fles rode wijn valt naar beneden, met de nodige gevolgen voor zijn beige pantalon.”

Ook treuzelaars, “de klant die het niets kan schelen dat de winkel al tien minuten dicht is”, zijn gewaarschuwd. Daar laat ze de band wat sneller draaien, wat gepaard gaat met een afgrijselijk gepiep. “Het zal nog een hele tijd duren eer hij weer normaal kan horen.” Ook heb je de bellers die met één hand hun portemonnee vasthouden en er geld proberen uit te halen. Dat gaat weleens mis, vertelt Sam. En als de pinpas dan op de lopende band valt grijpt ze haar kans. Band aan, inslikken maar en de klant richt zich eindelijk tot de kassière. “Nee maar, niet te geloven: hij praat tegen je!”

Met gelijke munt terugbetalen

Kassaleed bestaat dus vooral uit genegeerd worden. Door honderden klanten die als een karavaan aan je voorbij trekken. Sam betaalde die klanten daarom, zo af en toe, met gelijke munt terug. “Ze besluit hem geen ‘TotZiensPrettigeDag’ te gunnen. Je pakt ze terug waar je kunt”, zo schrijft ze in de derde persoon. En wat te denken van de mensen die wel communiceren, maar je desondanks verwarren met een spraakherkennende computer? Iedere dag heeft ze die vernedering, meerdere keren, moeten ondergaan. Op de vraag “Ben je open?” antwoordde ze daarom altijd: “Ik niet, maar mijn kassa wel.”

Zij die onze gewoonten ontsleutelt

De Kassière mag met meer dan 100.000 verkochte exemplaren in Frankrijk (Les tribulations d'une caissière) een bestseller heten. Wat begon als een weblog van een gefrustreerde academicus die achter de kassa belandde, groeide in Frankrijk uit tot een standaardwerk: niet zozeer als gids voor lotgenoten, en zeker niet als hommage aan het vak, maar als spiegel van de moderne beschaving, één die de hufterconsument, die wij allen in ons hebben, genadeloos op zijn sociale tekortkomingen wijst.

Dat Anna Sam, ex-hôtesse de caisse, iets los heeft gemaakt blijkt wel uit de twintig Franse televisieprogramma’s waar ze te gast was. Door het Franse tijdschrift Challenges wordt ze “de ster van de blogosphere” genoemd, volgens Le Figaro “ontsleutelt ze onze gewoonten”, het internationale damesblad Elle verkoos haar tot ‘Vrouw van de Week’ en het Amerikaanse The Times prijst haar boek aan als de ultieme wraak op brutale klanten.

Maar ondanks het sociologische karakter van De Kassière ontstijgt het boek nauwelijks het niveau van het weblog waarmee het allemaal begonnen is: gedachtekronkels die je als lezer niet in één keer op zijn plaats kan krijgen, warrige verwijzingen en veel grapjes waar Sam waarschijnlijk alleen zelf om kan lachen. Een begin van een studie naar de mondige consument, die op koopjesdag zijn kar als stormram gebruikt en op een rustiger moment als zombie door de gangpaden slentert, gaat al snel over in een stortvloed aan dialoogjes die je na 130 bladzijden behoorlijk de neus uitkomen.

‘Een robot glimlacht niet’

Toch is dat eeuwige gezever over kassabonnen, klantenkaarten, wisselgeld, haperende kassalades, brutale klanten, bellende klanten, krijsende kinderen en 'zombieshoppers' juist de kracht van het boek: op een gegeven moment wordt je er net zo zat van als Sam van de samenleving die haar acht jaar lang onmenselijk heeft behandeld.

De boodschap van het boek ligt beklonken in een opmerking van een zesjarige kleuter. “Zit je in de gevangenis?”, vroeg het kind, na Sams werkplek bestudeerd te hebben. De Kassière is alleen al daarom een dwingende aansporing om dienstverleners aan de onderkant van de arbeidsmarkt als volwaardige leden van de samenleving te behandelen. Kortom, als mensen die je een blik waardig gunt. “Een robot glimlacht niet”, hint Sam.

Anna Sam: De Kassière - Mijn leven achter de kassa.
Artemis & Co, 155 blz. € 14,98

In het rijk van genot houdt deugd onmogelijk stand

Boekcover.nl, 3 november 2008
In het rijk van genot houdt deugd onmogelijk stand


Bij corruptie denken we aan louche cafés waar mannen in donkere pakken elkaar enveloppen met bankbiljetten toeschuiven. In Nederland kent corruptie echter een veel sluimerigere variant: als overdraagbare aandoening die gedijt in kliekjes waar publieke en private belangen met elkaar verkeren.

Door Steven de Jong

De bouwfraude was wat dat betreft on-Nederlands. Ambtenaren die zich tegoed deden aan gesponsorde Yab Yum-bezoekjes, VIP-kaartjes cadeau kregen voor voetbalwedstrijden. Dat kón niet. Het geweten van Nederland trapte, in de gedaante van een parlementaire enquêtecommissie, op de rem. Of om met Cicero te spreken: in het rijk van genot houdt deugd onmogelijk stand.

Geen systematische corrumpering

Met dit citaat begint fraude-expert Lenny Vulperhorst zijn boek Hebzucht in vastgoed. Het feit dat de bouwfraude zoveel aandacht kreeg zegt iets over de bijzonderheid ervan. We hadden het gevoel dat we afgleden naar Oost-Europese toestanden. Toch gaat die vergelijking mank, meent Vulperhorst. In Nederland, het land van netwerken, gaat het er veel gemoedelijker, minder berekenend aan toe. Volgens bestuurskundige Marc Bovens kenmerkt de corruptie in Nederland zich door acties van eenlingen die uit loyaliteit jegens familie en vrienden, uit stoerheid tegenover zakenrelaties en een enkele keer uit liefde of medelijden, over de schreef zijn gegaan. ‘Er is geen systematische corrumpering van ambtenaren en politici.’

Intermenselijk vertrouwen

Dat zegt iets over de sociale structuur van Nederland. Vulperhorst duidt dit met een onderzoek van De Nederlandsche Bank. Deze instelling onderzocht het zogenaamde 'intermenselijk vertrouwen'. In de meeste andere landen, zo stellen de onderzoekers Henriëtte Prast en Robert Mosch, vindt een meerderheid dat men niet voorzichtig genoeg kan zijn in de omgang met mensen. In Nederland, daarentegen, is het intermenselijk vertrouwen de afgelopen 25 jaar gestegen van 45 naar 70 procent. Dat is gunstig voor het functioneren van een land, zo verklapt ook de titel van het onderzoek uit 2006: ‘Vertrouwen. Cement van de samenleving en aanjager van de economie’.

Niemand zonder zonden


Tegelijkertijd scoort Nederland slechter op de zogenaamde 'burgerzin index'. ‘Die index meet in hoeverre mensen doorrijden na een ongeval, belastingontduiken, zwartrijden op de tram en misbruik van sociale uitkeringen afkeuren.’ Vulperhorst bestrijdt dat die scores elkaar tegenspreken. ‘We vertrouwen elkaar in Nederland zeer, maar gaan er wel vanuit dat niemand helemaal zonder zonden is.’ Als voorbeeld geeft hij zwartwerken. ‘Iedereen is daartegen, maar tegelijkertijd wordt maatschappelijk geaccepteerd dat de werkster, de schilder en andere dienstverleners bij mensen thuis zwartwerken.’

In dit milieu kan het gebeuren dat een directeur van een semi-overheidsinstelling, zonder erop uit te zijn, corruptie pleegt. In het voorbeeld van Vulperhorst gaat het om een corporatiedirecteur die vlak na zijn aantreden bij zijn werknemers informeert of ze een goede aannemer weten voor de verbouwing van zijn huis. De keuze valt op een aannemer die bij de organisatie te boek staat als betrouwbaar. Maar nadat de klus is geklaard blijft een rekening uit. Na maanden informeert hij eens bij de aannemer. Hij krijgt te horen dat het niet de gewoonte is dat er een rekening wordt gestuurd. Waarom de aannemer hier zo vrijgevig is, moge duidelijk zijn: in ruil voor de verbouwing van dat ene huis, verwacht hij in de toekomst grote projecten toe gespeeld te krijgen. Een stille, niet uitgesproken afspraak, waar de directeur zich niet van bewust was.

Privatisering


Het voorbeeld van de woningcorporatie staat niet op zichzelf, benadrukt Vulperhorst. Juist deze organisaties zijn vatbaar voor corruptie, omdat ze de laatste twintig jaar zijn veranderd van semi-publieke uitvoeringsorganisaties in private organisaties met een publieke taakstelling. Met andere woorden: het zijn marktspelers geworden die gewoon winst moeten maken. "Ging het aanvankelijk om betaalbare woningen, intussen gaat het ook om de leefbaarheid van wijken en om maatschappelijk ondernemerschap. Schaalvergroting, bedrijfsmatig werken, ondernemen in andere delen van de woningmarkt (koopsector, zorg) en professionalisering zijn kenmerkende ontwikkelingen geweest bij de privatisering van corporaties."

Morele registers

Wat nu precies het probleem hiervan is, illustreert Vulperhorst met een theorie van hoogleraar Dorien Pessers. Elke samenleving kent volgens haar twee grote morele registers. Die van de reciprociteit, de moraal van de solidaire, duurzame bindingen. En de mutualiteit, de moraal van de kortstondige bindingen van de markt, waarin tussen vreemden naar tijd en inhoud contractueel strikt bepaalde prestaties worden geleverd.

Het verschil tussen beide registers is dat de eerste op vertrouwen gestoeld is en de tweede op wantrouwen. Om een voorbeeld te geven: als een huisarts je een medicijn voorschrijft, ga je ervan uit dat hij het beste met je voorheeft. Maar biedt een autodealer je een 'koopje' aan, dan geloof je hem niet op zijn blauwe ogen. Maar wat als de huisarts een contract heeft met een farmaceutisch bedrijf? Ja, dan begin je ook aan de goede bedoelingen van je huisarts te twijfelen. Het mengen van deze sociale organisatieprincipes kan volgens Pessers daarom vervelende gevolgen hebben. In haar woorden: ‘Tegenover rationele sturing door middel van politieke besluitvorming staat de irrationele sturing van onbewuste en gemanipuleerde wensen en behoeften.’

Onveranderlijk karakter

Een bestuur van een woningcorporatie die put uit deze twee morele registers kan dus moeilijk volhouden integer te zijn. Wat in de markt een gewoonte is, is taboe in de publieke sfeer. Onder integriteit verstaat de ethicus Bert Musschenga het ‘er zeker van zijn dat we iemand in een rol kunnen vertrouwen, ook in een situatie waarin hij onder druk komt te staan of waarin hij aan verleidingen wordt blootgesteld’. Aristoteles, zo vult Vulperhorst eraan toe, heeft het in zijn visie op de deugden over iemand die een standvastig en onveranderlijk karakter heeft. ‘Een deugdzaam iemand is een persoon die de tegenslagen van het lot waardig draagt.’

Corruptie, een fenomeen dat in Nederland niet op grote schaal voorkomt (of niet als zodanig erkend wordt), ligt volgens de aangeklaagden ook altijd aan de omgeving. Als iedereen door rood rijdt, dan mag het, en is het dus niet verkeerd. Zie daar de prijsafspraken, of de schaduwboekhoudingen waar iedereen van wist maar niemand alarm op sloeg. Markten, zo benadrukt Vulperhorst, ‘worden altijd door hebzucht gedreven’. En als begeerte de overhand heeft, zo schreef Cicero, is er geen plaats meer voor matigheid. Dat terwijl matigheid nu juist de core business van woningcorporaties was: het zonder winstoogmerk verhuren van betaalbare woonruimte aan minder kapitaalkrachtigen.

Wie alles doorziet, ziet niets

Boekcover.nl, 14 oktober 2008
Wie alles doorziet, ziet niets


Moet groei? Dat is de vraag die twee journalisten dertien deskundigen voorlegden. Gewaagd, zo blijkt al in het eerste hoofdstuk van het gelijknamige boek. Economische groei is namelijk een rotsvast geloof dat je van oud-minister Brinkhorst niet in twijfel mag trekken. "Een onzinnige vraag, naïef. Jullie hebben zeker geen economie gestudeerd?"

Door Steven de Jong

Gestudeerd heeft het journalistenduo wel degelijk. Frank Mulder (1978) studeerde Geschiedenis der Internationale Betrekkingen en Freek Koster (1979) Internationale Economie. Hun zoektocht naar het antwoord op de vraag of groei moet, is ingegeven door hun eigen levensfilosofie. ‘We hebben geen zin om ons uit de naad te werken voor de eindejaarsbonus van een investeerder’, luidt hun nawoord. ‘Het is zinvoller om te werken aan de kwaliteit van de samenleving.’

Groei slurpt


Ook aan het begin van hun boek verraadden ze hun ideologie. Europese vissers moeten volgens hen uitwijken naar de Afrikaanse westkust omdat onze eigen visstanden bedreigd zijn. En voor het veevoer van onze varkens moeten enorme lappen oerwoud in Zuid-Amerika worden gerooid. En olie, het smeermiddel van de economie, moeten we kopen ‘van dictators die verantwoordelijk zijn voor de ernstigste mensenrechtenschendingen’. Groei slurpt energie, weten de auteurs. ‘Voor het overgrote deel wordt dat nog steeds op een vervuilende manier opgewekt.’

Ze zijn er allemaal blij mee

Laurens Jan Brinkhorst, oud-minister van Economie en thans hoogleraar Internationaal recht, is niet onder de indruk van het idealisme dat hun vragen aan de dag legt. "Het spijt me om het u te vertellen, maar het is naïef om vraagtekens te zetten bij groei", zegt hij. "De welzijnsbevordering stagneert zonder groei, want materieel welzijn is een voorwaarde voor geestelijk welzijn. ‘Erst kommt das Fressen, dann die Moral’, zoals Bertolt Brecht dat zegt." Groei is volgens Brinkhorst ook een smeermiddel in de conflicten tussen belangengroepen. "India is de laatste jaren enorm gaan groeien, ze zijn er allemaal blij mee."

Het siert de interviewers dat ze zich door een autoriteit als Brinkhorst nederig de les laten lezen. Op niet zachtzinnige wijze, want de oud-politicus stelt zich in het vraaggesprek op als een chagrijnige leermeester die een stel wereldverbeterende schooljongens uit hun droom moet helpen. "Onze vragen liggen al in de prullenbak voordat wij ze hebben gesteld."

Verwaarloosbaar effect


Maar net zo zelfverzekerd als Brinkhorst ‘kleine rondjes op zijn bureaustoel rijdt’, vragen de journalisten door. "Maar waarom dan, hoe leidt groei tot welzijn?", werpen ze hem voor de voeten. "Door groei is de economie veel socialer ingericht", repliceert de sociaal-liberaal. "Denk aan de afschaffing van kinderarbeid, de emancipatie van vrouwen." Groei is volgens Brinkhorst de wortel van alles. "Daarná komt de rest: duurzaamheid, een eerlijke verdeling. Als we dat niet zouden doen, zou het verdomd slecht gaan." De professor laat zich hier kennen als een macro-econoom, en schuwt er niet voor dat zijn argwanende toehoorders in te wrijven. "Sorry dat het onvriendelijk klinkt, maar u hebt als individu een verwaarloosbaar effect op de economie." Het is volgens hem "fictie" dat groei niet nodig is. "Er is geen land met een nulgroei waar het goed gaat. Amen."

Net als in 1929


Dit interview, of zeg maar college, is slechts het begin van hun ‘onthutsende zoektocht’. Een reis waarin zij onder meer Paul de Beer (arbeidseconoom – ‘De derde baard alweer’), Coen Teulings (directeur CPB – ‘Na één vraag kunnen we onze zorgvuldig voorbereide vragenlijst wel opzij leggen’) en Angelien Kema – ‘De vrouw van 400 miljard’) bezoeken.

Bevestiging vinden zij gelukkig ook. En wel bij niemand minder dan Bob Goudzwaard, de emeritus hoogleraar economie die een plaats in het kabinet Van Agt weigerde omdat hij zich niet kon vinden in de koers. ‘Alsof je bij je opa op de koffie gaat’, zo leiden Mulder en Koster het interview met de 73-jarige geleerde in. En zoals het een opa betaamt, vertelt Goudzwaard van vroeger, de beurskrach van 1929 die zich anno 2008 lijkt te herhalen.

De huidige crisis, die bij het verschijnen van het boek (in april 2008) nog niet de oceaan was overgewaaid, laat volgens hem zien dat de mens zich niet moet laten leiden door financiële groei, omdat je dan de ondergrond vergeet. "De financiële markten zijn de baas geworden van de reële economie." Dat is volgens Goudzwaard een bewuste keuze geweest, een culturele keuze. "Geldschepping is het eerste dat werd geprivatiseerd. Vroeger mocht alleen de staat geld maken, maar in de loop der tijd zijn de privaten dat zelf gaan doen." Eerst bleef dat binnen de grenzen van de reële economie, doceert hij, maar in dertig jaar tijd is het onderhuids gegroeid. "We kunnen steeds meer in geld handelen, doordat er steeds meer items zijn aangemaakt waarin je geld kunt stoppen. Er is een markt in derivatives, waarmee je geld kunt verdienden aan de ontwikkeling in de eurokoers." Zo bezien is het volgens de oud-ARP’er niet verwonderlijk dat er in de financiële economie veertig keer zo veel geld in omloop is als in de reële economie. "Als dat instort, dan gaat de reële economie mee. Net als in 1929."

Welvaartsbarometer


Het antwoord op de vraag van het journalistenduo komt als Goudzwaard een onderzoek aanhaalt van Daly en Cobb, de economen die in 1989 een zogenaamde welvaartsbarometer ontwikkelden. "Zij hebben geprobeerd voor verschillende landen het sociaal, menselijk, natuurlijk en fysiek kapitaal te meten en stellen dat vanaf ongeveer 1980 de welvaart in brede zin gedaald is." Zelfs het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank dragen schuld, betoogt hij. "Onder druk van deze instellingen moesten Afrikaanse landen in de jaren ’80 hun economie laten groeien. De output was het belangrijkste. De grenzen moesten open, de markten geprivatiseerd en de handelstarieven afgeschaft. En inderdaad: de exportopbrengsten gingen omhoog. Maar wat gebeurde er met de gezondheidszorg en het onderwijs? Dat stortte in, want er was geen geld meer voor. Dat zagen zij als overheidsconsumptie die beperkt moet worden."

Goudzwaard laat zich ontvallen dat hij een beetje teleurgesteld is in een oud-student van hem. Het gaat om ene Wouter Bos. "Wouter liet zich ontvallen dat hij eigenlijk geen visie heeft. ‘Gewoon een beetje helpen wie dat nodig heeft’, zei hij op tv."

Als het aan Goudzwaard ligt moeten we een voorbeeld nemen aan de aboriginals. Zij weigerden soms een bepaalde techniek als dat hun samenleving in gevaar bracht. En bovendien werkten ze maar vier uur per dag. "Hun woord voor welvaart doet denken aan die enorme plaatsnamen in Wales, het woord betekent letterlijk datgene-wat-je-nog-net-op-je-hoofd-kunt-meenemen." Op dat soort spreuken is de emeritus hoogleraar, die zijn woning heeft volgehangen met tegeltjeswijsheden, dol. Zijn eigen credo luidt: "Er is geen boom die het in zijn stam haalt om tot de hemel te groeien."

Wie alles doorziet, ziet niets

Toont Goudzwaard hier het ongelijk van Laurens Jan Brinkhorst aan, de man die wél bestuursverantwoordelijkheid heeft gedragen? Of is het slechts een ideologie, een visie op hoe de samenleving het best draaiende gehouden kan worden? Mulder en Koster bewaren hun finale oordeel tot het einde. Maar gedurende het boek maken ze met één verwijt van de oud-minister wel korte metten. Namelijk dat ze naïef zouden zijn. En dat is onzin, zo blijkt uit de literatuur die zij aanhalen. Op pagina 141 citeren ze bijvoorbeeld de Ierse schrijver en christelijke apologeet C.S. Lewis (1898 - 1963).

Lewis was geen econoom, maar de passage die de interviewers uit zijn boek ‘De afschaffing van de mens’ halen, is tekenend voor de ‘ingenieuze producten’ die het financiële systeem anno 2008 de das om doen. ‘Je kunt niet eindeloos doorgaan met dingen "doorzien". Bij doorzien gaat het om wat daardoor zichtbaar wordt’, schreef Lewis. ‘De doorzichtigheid van het raam is goed omdat de tuin en de straat daarachter ondoorzichtig zijn. Wat als je nu ook door de tuin kunt kijken? Wie alles "doorziet", ziet niets.’

Communisme, Kapitalisme, Kannibalisme

Boekcover.nl, 2 oktober 2008
Communisme, Kapitalisme, Kannibalisme


Kapitalisme heeft het communisme overwonnen. De vrije markt kon het zonder sturende staat. Maar net als de ijsberen op de Noordpool heeft elk model een natuurlijke vijand nodig. Anders vreet het zichzelf op.

Door Steven de Jong

‘It's the economy stupid.’ Met deze slogan die eigenlijk helemaal niet voor de campagne bedoeld was, zou Bill Clinton in 1991 George Bush sr. uit het zadel hebben gewipt. Wat toen grappig klonk, is nu bittere ernst. Zo ernstig dat de huidige presidentskandidaten Barack Obama en John McCain samen een verklaring op wilden stellen en laatstgenoemde even overwoog om de campagne stil te leggen.

De laatste peilingen laten zien dat de Republikeinen lijden onder de financiële crisis en de Democraten er garen bij spinnen. De kredietcrisis waarin de ene na de andere bank omvalt of gered wordt met overheidssteun, zou volgens Obama het gevolg zijn van de ‘Republikeinse filosofie’ over het kapitalisme. ‘Casino Capitalism!’, klinkt het hier en daar. Een uit de hand gelopen spelletje van witte boorden dat nu de Joe Sixpack raakt.

Met de overname van zakenbank Merrill Lynch door Bank of America wordt bijvoorbeeld spaargeld van consumenten op het spel gezet. De uitstaande risicovolle beleggingen krijgt BofA er namelijk gratis bij. Of neem de miljardeninjecties van westerse overheden, ook die van de Nederlandse om Fortis te redden. De crisis in de financiële sector begint steeds meer de Echte economie te raken. Die van de consumptieve kredieten, creditcardschulden en hypotheken. Sommigen wanen zelfs het geld op hun spaar- en lopende rekening niet veilig, zo bleek toen De Telegraaf een oude man bij een Fortis-pinautomaat ondervroeg. Hij pint nu iedere dag 250 euro. ‘De rest van mijn geld, mijn oudedagsvoorziening, staat vast. Daar kan ik helaas niet bij’, tekende de verslaggever op. Hier kun je om lachen, wat we dan ook doen, maar het consumentenvertrouwen is nog steeds heilig voor het Centraal Bureau voor de Statistiek. En als Jan met de Pet de economie niet vertrouwt, kan Piet Patat zijn tent op de hoek wel sluiten.

Niemand, behalve Marianne Thieme die in haar eigen tuin boontjes verbouwt, staat te juichen bij deze crisis. Wel zien sommigen de positieve kanten. Wouter Bos bijvoorbeeld, onze minister van Financiën, die in deze roerige tijden een koopkrachthandhavende begroting wist te presenteren. Daags na Prinsjesdag schreef hij op de opiniepagina van NRC Handelsblad het volgende: ‘De kredietcrisis mag dan het gevolg zijn van de globalisering, zij wijst het neoliberale ordeningsmodel eerder op haar tekortkomingen dan op haar veronderstelde superioriteit.’

Minder diplomatiek is Arnold Heertje, de econoom die geen aankondiging behoeft. Aan de vooravond van Prinsjesdag woonde ik een lezing van hem bij in Den Haag. ‘De kredietcrisis is een godsgeschenk’, aldus de emeritus hoogleraar. ‘Ik doe niet mee met het pessimisme.’ Volgens Heertje, auteur van het boek Echte economie (uit 2006), toont de crisis op Wall Street aan dat het systeem zichzelf corrigeert. Net als Bos denkt hij dat de scherpe kantjes van het superkapitalisme nu afgestompt worden door andere waarden. ‘Het kon niet zo doorgaan. Het was een ongebreidelde ontwikkeling. Men nam risico's die men niet meer kon overzien. Dat daar een einde aan is gekomen is een buitengewoon positieve ontwikkeling. Afremmen van die economische groei kan mij niet ver genoeg gaan.’ En over het consumentenvertrouwen zegt hij: ‘Geweldig dat het weer daalt. We zeggen toch altijd dat we minder moeten consumeren en meer moeten sparen? Dat gebeurt nu.’ Wat hem betreft had Bos niet zo'n betonnen begroting hoeven te presenteren. ‘Hij wil de koopkracht handhaven. Voor mij was dat niet nodig geweest. Alleen al omdat we dan minder in de file zullen staan.’

'Echte economie' gaat volgens Heertje om het spanningsveld tussen schaarste en welvaart. Zelfs over geluk. Het omvat dus veel meer dan wat er in de financiële sfeer gebeurt. ‘Nu veel meer nog dan vijf of tien jaar geleden. We moeten zorgvuldiger omgaan met natuur, de leefbaarheid, het behoud van het bestaan. De echte vraagstukken gaan over water, klimaatbeheersing en duurzaamheid.’

Na een vlammend betoog, ontvouwt hij zijn theorie over de zogenaamde 'reproductie-economie'. ‘Onder welke voorwaarden kunnen we de economische ontwikkeling die we kennen, reproduceren?’ Hiermee doelt Heertje onder meer op het opraken van fossiele brandstoffen en het slechter worden van de luchtkwaliteit. ‘Echte economie gaat over meer dan financiële transacties. Het gaat in hoge mate om de kwaliteit van het bestaan. Frisse lucht, behoud van natuur en leefomgeving. Dat is in toenemende mate van belang. Wat we nu doen is beslag leggen op beperkte middelen. We kijken uitsluitend naar de financiële effecten. Onze aandacht moet uitgaan naar leefbaarheidsvraagstukken.’

Uiteindelijk komt het hoge woord eruit. Heertje wil dat we denken in ‘Bruto Nationaal Geluk’. De kwaliteit van het bestaan, nu en straks. Over de zin van het bestaan. ‘Dat zijn allemaal onderdelen van de economie.’ De bureaucratie in de gezondheidszorg is hem een doorn in het oog. ‘Managers zitten met stopwatches naast de verpleegster. Zij die een halve minuut te lang bezig is, wordt ontslagen als ze dat nog een keer doet.’ Al die regeltjes, dat meten om te weten, wordt volgens Heertje alleen maar in stand gehouden om er ‘machtsposities aan te ontlenen’.

Kritiek uit de zaal blijft de man die ‘niets op gezag aanneemt’ bespaard. Wel vraagt een jongedame voorzichtig, na hem eerst een compliment te hebben gegeven, hoe hij die zachte waarden dan wil meten. Heertje ontploft: ‘Je kunt niet alles meten!’

Dit soort betogen zullen we de komende tijd nog vaak horen. Zeker uit de mond van Barack Obama, al zal het iets zweveriger zijn. Nu het communisme is overwonnen, strijden twee soorten kapitalisten tegen elkaar. Zij die denken in vermogen (het aandachtspunt van de ‘boards’) tegen zij die denken in inkomen (werknemers, vertegenwoordigd door vakbonden).

Volgens Rienk Goodijk, auteur van Herwaardering van de Rijnlandse principes, gaat het in wezen om de vraag van wie een onderneming eigenlijk is. ‘Het formele eigenaarschap van een onderneming ligt weliswaar bij de aandeelhouders’, schrijft hij, ‘maar de onderneming als samenwerkingsverband is van degenen die zich duurzaam met de onderneming hebben verbonden.’ Daarmee doelt hij vooral op de loyale werknemers, de verschaffers van duurzaam kapitaal en duurzame diensten. ‘Het eigenaarschap wordt hier bepaald door loyaliteit en duurzame betrokkenheid.’

Daar hoort volgens Goodijk ook medezeggenschap bij. Een contrast met het beeld van de werknemers die met kartonnen dozen hun bank van de ene op de andere dag moesten verlaten. Zij leefden, althans hun bestuurders, in een wereld met Angelsaksische waarden. Of zoals Goodijk het verwoordt: ‘Met een sterk instrumentele oriëntatie op de vrije markt, aandeelhouderswaarde, human capital, control en verantwoording.’ Waarden die met de westenwind al lang neergedaald zijn op Europese bodem. Ook in Nederland. ‘Er worden alsmaar kortere termijn bedrijfsresultaten verwacht’, schrijft Goodijk. ‘De arbeidsverhoudingen verzakelijken, de juridisering neemt toe.’ Het is waar Barack Obama voor waarschuwde in zijn boek ‘The Audacity of Hope’ voor waarschuwde: ‘Dit land heeft meer vakmensen nodig en minder advocaten.’

Goodijk, hoogleraar Corporate Governance, schreef zijn boek ten tijde van de crisis bij ABN AMRO. De bank die door een investeringsfonds gedwongen werd op te splitsen, wat ook gebeurde, en nu - begin oktober - weer in de uitverkoop is. Toch laat Goodijk zich niet kennen als een koppige profeet van het Noord-West/Europese, Rijnlandse model. We moeten ook de positieve kanten van het Angelsaksische model, zelfs na ‘Zwarte maandag’, blijven erkennen. ‘De praktijk wijst uit dat het aandeelhoudersactivisme hier en daar ook kan resulteren in effectievere aansturing, het doorbreken van verstarde verhoudingen en een betere verantwoording.’

Fijntjes wijst hij erop dat de opinies over een Rijnlands stokpaardje van eigen makelij ook aan conjunctuur onderhevig zijn. ‘Zo werd het Nederlandse "poldermodel" op het ene moment (tijdens economische voorspoed) beschouwd en besproken als het "Dutch miracle" en op het andere moment (tijdens stagnatie) juist als de "Dutch disease", terwijl het model op zichzelf in die tussentijd niet fundamenteel wijzigde.’

Maar ondertussen staan de presidentsverkiezingen wel in het teken van de economie, met name de financiële sector. Het zal de aandacht naar de ‘clash of cultures’ doen verslappen, zo ook de noodzaak om democratieën te vestigen. Peter van Lieshout, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, beet zondag in Buitenhof alvast de spits af. Volgens hem hoeft een land niet per se democratisch te zijn om vooruitgang te boeken. ‘Strakke regimes zijn niet per se slecht zijn voor de economie.’ Als voorbeeld gaf hij de Socialistische Republiek Vietnam die in grote mate wordt geregeerd door één partij.

Een ander interessant geluid kwam deze week van Evelien Tonkens, hoogleraar Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam. In de Volkskrant voorspelde zij dat de miljardeninjectie van belastinggeld in Amerikaanse banken het einde van het neoliberalisme inluiden en het eerherstel van de overheid. ‘Wie nu een loopbaan moet kiezen, kan het beste ambtenaar worden.’

Het is te hopen dat we niet van het ene exces (het ‘casino capitalism’) in het andere exces (het communisme) vervallen. Wel laat de kredietcrisis zien dat het uitschakelen van natuurlijke vijanden, waartoe het communisme gerekend mag worden, ook zijn keerzijde heeft. Een kudde ijsberen wier leefgebied drastisch krimpt, heeft vorige week laten zien wat er dan gebeurt. Bij gebrek aan visjes vraten ze elkaar op. De overtreffende trap van kapitalisme is dus kannibalisme.