donderdag 15 augustus 2013

Je kunt op zijn minst dankjewel zeggen

Cultuur010, 11 januari 2010
Je kunt op zijn minst dankjewel zeggen


Afstand doen van samenleving en medemens, en tóch doorleven. Kan dat? De film Nothing Personal (2009) laat zien welke instinctieve krachten de mens tot een gemeenschapsdier maakt. ‘Samen’ gaat vanzelf, ‘alleen’ is de beproeving.

"Hoe heet je?", vraagt Martin (Stephen Rea). "Dat gaat je geen ene zak aan", antwoordt de jonge vrouw (Lotte Verbeek) die gisteren op zijn boerderij in Ierland is aan komen waaien. Een ogenblik later wordt de bank waarop ze zit ruw onder haar vandaan geschopt. "Je kan op zijn minst dankjewel zeggen", zo herpakt Martin zich. Maar de vrouw weigert. "Waarom? Ik heb er toch voor gewerkt. Je zei: eten voor werk."

Kil en functioneel

Regisseur Urszula Antoniak verkent het niemandsland waar verbintenissen gesloten worden, spontaan of geforceerd. Soms in woord, soms in daad, vaker nog in een onbedoelde gezichtsuitdrukking of ongemakkelijke stilte. Gedurende de film wordt het de vrouw duidelijk dat er geen ontsnappen meer aan is; zelfs in het gezelschap van een kluizenaar is het onderdrukken van haar menselijke natuur moeilijk vol te houden.



Anna, zoals ze later blijkt te heten, boycot alles wat een mens tot een mens maakt. Oogcontact, een glimlach, een handdruk, een enkel opbeurend woord. Ze zweert het af zoals een vegetariër dat met vlees doet. Contact moet kil en functioneel zijn, niet warm en persoonlijk. Geen gedoe.

Totale isolatie

Allergisch voor mensen, zo zou je de aandoening kunnen noemen die Anna van de buitenwereld afsluit. De oorzaak? Geen idee. Hoewel; het beeld van een afgedankte ring verraadt een stukgelopen relatie. Verklaart dat haar hang naar totale isolatie? Is er niets meer aan de hand, een ernstige persoonlijkheidsstoornis misschien? De regisseur laat die vraag open. Alsof het een bui is die iedereen kan overkomen.

Martin is voor Anna de kwaadste niet. Hij is geen tegenpool, maar een kluizenaar van middelbare leeftijd die eet van zijn land. Een ontwikkeld man, die ook zijn verleden heeft. Eenzaam, maar prima in staat zichzelf te redden. Voor het steken van turf, het poten van bieten en het oogsten van gewas kan hij echter wel wat hulp gebruiken. Maar om Anna nou als werktuig te beschouwen, zoals ze zelf wil, dat gaat hem toch wat te ver. Hij is alleen, maar niet sociaal gestoord. Als hij zijn bestaan aan haar probeert te verklaren, raakt Anna geïrriteerd. "Ik ben niet geïnteresseerd in je levensverhaal."

Ontdooien

Als Anna de boerderij voor gezien houdt, holt Martin haar achterna. Oké, hij zal beloven niet persoonlijk te worden. Geen vragen te stellen, behalve hoe ze heet. "Als je me wil roepen kan je gewoon ‘jij’ zeggen." Later zal hij uit haar rijbewijs, die in haar jas zit, opmaken dat ze Anna heet en 21 jaar oud is. Hij bezoekt zelfs heimelijk haar verlaten appartement in Amsterdam, maar vindt daar niets meer dan een haarspeld.

Uiterst langzaam begint Anna te ontdooien. Even, als ze nadoet hoe Martin de soep roert, verschijnt er een glimlach op haar gezicht. Martin lacht terug, waarop Anna's gelaat direct weer bevriest. Maar stapje bij stapje dringt ze toch het privédomein van Martin binnen. Ze luistert ongevraagd naar zijn collectie opera's, leent zijn boeken en verruilt uiteindelijk haar tentje op het land voor een kamer op de boerderij. Maar als Martin onwel wordt op de trap, kijkt ze hem als een geschrokken hert aan om vervolgens haar kamer in te vluchten. Ze weet zich geen raad met de situatie, gaat op bed zitten, punnikt wat en staart naar de muur. Wat nu? Had ze moeten helpen, hem moeten verzorgen? Martin klopt even later op de deur, waarop Anna voor de vorm een boek pakt. Alsof ze gewoon aan het lezen is. Het gedoe is terug, zo verraadt haar lichaamstaal.

"Ik wil dat je vannacht waakt. Ik ben bang dat ik dood ga in mijn slaap", commandeert Martin op een toch nog redelijk zachtaardige toon. Als een uit elkaar gegroeid echtpaar liggen ze die nacht samen in een bed. Het begin van een relatie, maar wat voor een?

Zoals jou zijn

De volgende dag is alles anders. "Vandaag was een mooie dag", zegt Anna die avond. "Zeker", antwoordt Martin, die haar even later mee uitvraagt naar een pub. "Wie is zij?", vraagt de barvrouw aan Martin. "Ik heb geen idee", zegt Martin. De barvrouw schudt haar hoofd. "En toch koop je bier voor haar?" Anna drinkt gulzig, ze wordt dronken. Maar hoe aanhankelijker ze wordt, hoe afstandelijker Martin zich opstelt. Wat is je lievelingskleur, vraagt Anna de dag erna. "Hé jij, dat lijkt verdacht veel op een persoonlijke vraag."

Een weg terug is er echter niet meer. Anna's lievelingsgetal is nul, zo verklapt ze. En vanaf nul wordt de relatie opgebouwd. Het verleden doet er niet toe. De nieuwe Anna is op de boerderij geboren. "Wat wil je dan?", vraagt Martin. "Ik wil zoals jou zijn. Niemand die je ziet, niemand die met je praat." Als Martin sterft, stapt ze in zijn pantoffels. Samen zijn ze nu weer alleen.

Bedrijfsuitje loopt uit de hand

Cultuur010, 23 december 2009
Bedrijfsuitje loopt uit de hand


“Er is iets anders aan je”, zegt de verlegen Elza tegen haar stralende collega. “Ja”, antwoordt Lin, terwijl ze haar hoofd vastpakt. “Normaal zit er een headset op.”

Door Steven de Jong

Deze dialoog vat het toneelstuk Casino misschien wel het meest treffend samen. Donderdag bracht theathercolectief Norfolk het op de planken in de Rotterdamse Schouwburg.

Anders is niet zozeer het uiterlijk van Lin (Loes Haverkort), maar de setting waarin ze Elza (Rosa Reuten) ontmoet; een bedrijfsuitje van een verzekeringsmaatschappij in een casino. “Over het algemeen heb ik vrij vluchtige contacten met collega’s”, bekent Elza. “Thuis heb ik een lijst gemaakt van mensen die ik vanavond beter wil leren kennen.”

Mensen-mens

Daarin slaagt ze. Als de drank rijkelijk vloeit, wordt de small talk ingewisseld voor ‘elkaar eens flink de waarheid zeggen’. Lin (”Ik heet eigenlijk Linda, maar iedereen noemt mij Lin, dus ben ik dat zelf ook maar gaan doen”) wordt door de gefrustreerde Jessica (Hannah van Lunteren)  voor “hoer!” uitgemaakt. Dat weet ze overigens professioneel op te vangen, want Lin heeft Communicatie gestudeerd. “Ik ben een mensen-mens. Ik luister naar de klanten en stuur ze door. De ene keer gaat het over techniek, de andere keer over betalingen. Mensen willen soms even stoom af blazen.”

Niels (Tibor Lukács) krijgt de “errors” voor zijn kiezen die hij dagelijks als webdesigner produceert. “Onze website is één grote muur tussen de potentiële klant en ons bedrijf. Ik wil dat je morgen met een oplossing komt, anders lig je eruit”, sneert Agnes van de Berg (Marieke de Kleine), de nadrukkelijk aanwezige manager.

Gemiste kansen

Wat blijft er over van de mens buiten kantooruren? Een hoopje ongeluk, een samenraapsel van gemiste kansen en onvervulde dromen. Die indruk krijg je bij dit toneelstuk, te meer omdat het zich afspeelt tussen een roulettetafel en een fruitautomaat. “We zullen vanavond winnen”, zo probeert de manager de moed erin te houden. “We kunnen niet verliezen, want als verliezers zullen we slecht zijn.”

Inmiddels heeft iedereen zijn gevoel voor decorum verloren. Elza is haar rokje kwijt, Lin is van de barkruk gevallen, Jessica kiepert haar salaris in het fruitautomaat en Niels heeft de sleutels van zijn BMW op een roulettevakje gelegd. “Geen hand tokkelt meer op onze beste snaren”, jammert de manager, die het ook niet meer ziet zitten. Haar nuchtere man, die af en toe binnenkomt om te vragen hoelang het feest nog duurt, heeft een opbeurend woord. “Je moet een beetje je best doen in het leven. Of op zijn minst proberen.”

Af- en aanlopen

Je best doen. Maar in wat? Niels wil wel graag “iets anders”, zo gaf hij bij binnenkomst toe. “Mijn horizon verbreden”, zo definieerde hij zijn carrièreplan. Elza zoekt buiten haar werk een vorm van zingeving: binnenkort gaat ze knuffels naar Roemenie brengen. Alles beter dan het uitzicht dat ze nu heeft op de parkeerplaats. De dynamiek in haar leven bestaat tot dusver uit het “af- en aanlopen van medewerkers en het op- en neergaan van een hefboom”.

Agnes, de pas aangetreden manager, staat bekend als “de frisse wind in het bedrijf”. Meer dan gezag heeft ze echter niet. “Niemand begrijpt me. Niemand houdt van me. Het is allemaal één grote leugen. Misschien zou het beter zijn als ik niet besta.” Het Russisch Roulette biedt het gezelschap uitkomst. Als het leven je niets meer waard is, kun je het maar beter in de waagschaal leggen.

Het dorp als kooi

Cultuur010, 6 december 2009
Het dorp als kooi


In de zwart-wit film Das Weisse Band (Michael Haneke, 2009) is de dominee alles: gezinshoofd, dorpshoofd, rechercheur, rechter en beul. Als zijn bovenlip trilt, daalt Gods toorn neer.

"Ik gaf God de gelegenheid mij te doden, maar hij deed het niet. Hij heeft het dus goed met me voor." Dat zegt de kleine, schuldbewuste domineeszoon Martin als hij door de dorpsonderwijzer van een gevaarlijk hoge brugleuning wordt gehaald.

Witte band

Het leven lijkt zo simpel, daar in dat noord-Duitse plattelandsdorp van vlak voor de eerste wereldoorlog. Maar onder de vrome haarscheidingen broeit het. Hun grootste vijand is de eigen wil, die tot zelfzucht, onkuisheid en andere ondeugden kan leiden.

Daarom zijn de gezinnen misschien ook zo groot: hoe minder aandacht voor het individu, hoe meer het groepsgevoel er toe doet. "De mensen opvoeden tot verantwoordelijke burgers", zo duidt de dominee (Burghart Klaußner) zijn taak, die meer aanzien dan de baron geniet.

Hij heeft Martin (Leonard Proxauf) en diens broertjes en zusjes een witte band om de bovenarm gedaan. Een witte, de kleur van onschuld, opdat ze er aan herinnerd worden een misstap te hebben begaan, namelijk te laat thuiskomen.

Boeten

De schok is groot als het in zichzelf gekeerde dorp geplaagd wordt door incidenten die zelfs in een grote stad voor beroering zouden zorgen. Het bloemkolenveld van de baron wordt vernield, een schuur gaat in vlammen op en de zoon van de baron wordt ontvoerd en mishandeld. "De gene die dit gedaan heeft is onder ons", waarschuwt de baron op een dorpsbijeenkomst. De politie wordt niet ingelicht, want de boel bij elkaar houden dient een hoger doel dan de rechtsorde.

Later wordt ook de dominee doelwit: zijn geliefde parkiet wordt gespietst en zijn gehandicapte zoontje Karli wordt zo toegetakeld dat hij het zicht verliest. Iemand lijkt wraak op de dominee te willen nemen, want op de plek waar Karli gevonden werd lag een briefje met een vers uit het Oude Testament, Exodus 20:5: "Voor de schuld van de ouders laat Ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze Mij haten."

Hatelijk

De verlegen dorpsonderwijzer (Christian Friedel) probeert het mysterie te ontrafelen en ondervraagt de kinderen die zich verdacht eensgezind opstellen onder leiding van het bijdehante dochtertje Klara (Maria-Victoria Dragus). Weten zij misschien wie Karli gemolesteerd heeft? Als hij zijn zorgen deelt met de dominee, wordt hem een verbanning in het verschiet gesteld: liever een doofpot dan een gemeenschap die uit elkaar valt.

Dan is er nog een sadistische huisarts, die na de dood van zijn vrouw zijn lusten botviert op de werkster. Als hij geen zin meer in haar heeft, zegt hij: "Je ruikt uit je mond, je huid is slap, je bent lelijk en verlept." De werkster, de nederigheid zelve, vermant zich en zegt eindelijk iets terug. "Je moet wel heel wanhopig zijn om zo hatelijk te doen." Maar de arts is onverbeterlijk: "God, kan je niet gewoon sterven?" Zou de arts misschien achter de vernielingen en mishandelingen zitten? Niemand die het weet.

Gevangenschap

Wie de schuldige is doet er ook niet toe. Das Weisse Band is een opvoering in orde. Geen rechtsorde, maar protestantse orde. De meest karakteristieke scène is het bezoek van de kleine Gustav (Thibault Sérié) aan zijn vader de dominee. Gustav heeft een ziek vogeltje gevonden en vraagt toestemming om het te verzorgen. "Dat is een zware verantwoordelijkheid", zegt de dominee. "Je zult vader en moeder tegelijkertijd zijn." Raak er niet aan gehecht, zegt hij gedecideerd, want de vogel moet uiteindelijk weer terug naar de vrije natuur.

"En Pipsi dan", vraagt het jongetje, doelend op het dan nog levende parkietje van de dominee. "Pipsi is in gevangenschap opgegroeid, die hoort in de kooi."




Het hallucinante universum van een dronkaard

Cultuur010, 29 november 2009
Het hallucinante universum van een dronkaard


"Eigenlijk is er niets met hem aan de hand, hij kan gewoon niet besluiten op te houden met drinken." Deze diagnose vat het toneelstuk Onder de vulkaan van Guy Cassiers treffend samen. Al voor de uitbarsting stikt de liefde in een giftige atmosfeer.

Door Steven de Jong

De diagnose is van Geoffrey’s huisarts. Geoffrey Firmin is een Britse consul in het Mexico van de jaren dertig en hoofdpersoon in de roman Onder de vulkaan (1947) van Malcolm Lowry. De schrijver – die zelf ook verslaafd was aan alcohol - overleed in 1957 op 48-jarige leeftijd onder verdachte omstandigheden. Suïcide met slaappillen, zo is het vermoeden.

Guy Cassiers, regisseur en artistiek leider van het Toneelhuis in Antwerpen, brengt het boek nu als toneelstuk. Zaterdag 28 november 2009 trad zijn theatergezelschap op in de Rotterdamse Schouwburg.

Bemoeien

Net als Malcolm Lowry stopt hoofdpersoon Geoffrey Firmin (gespeeld door Josse de Pauw, tevens tekstschrijver van het stuk) ook pas met drinken als hij er dood bij neervalt. Hij wordt neergeschoten na een ruzie die hij in dronkenschap uitlokte. Het benevelde brein van de consul maakt van hem een taalvirtuoos en zelfverklaard filosoof, die - hoe mystiek zijn theorieën ook zijn - de wereld toch maar mooi zegt waar het op staat. "Je met het leven van een ander bemoeien. Dát is wat de ellende de wereld inbrengt", aldus zijn sneer naar het communisme.

Vluchten

Terwijl alles uit zijn handen klettert - huwelijk, baan, gezondheid, vriendschap - neemt hij de toeschouwer mee in het "hallucinante universum van een dronkaard", zoals de flyer het toneelstuk aanprijst. En vanuit dat perspectief is er inderdaad niets met Geoffrey, maar alles met de wereld aan de hand. De drank zet hem op de stoel van de alwetende commentator die het gepeupel bestemmingsloos voorbij ziet schuifelen, met de verloren en weer teruggekomen liefde Yvonne voorop. Zij die zich slechts om inferieure zaken als genegenheid en haar gedroomde boerderij - "met kippen en paarden" - in Canada kan bekommeren. En toch heeft ook Yvonne (Katelijne Damen) haar mysterieuze kant, wat zich uit in het loslaten van een arend die ze met haar ogen volgt tot ze duizelig wordt.

De drang om te vluchten, een dankbaar literair onderwerp, is wat de personages bindt. De halfbroer Hugh (Marc van Eeghem) is een cowboy geworden in Texas (en even terug om zijn broer te redden), ex-vrouw Yvonne mijmert over een nieuw leven in Canada en Geoffrey - die het in zijn huis met verwilderde tuin best nog even wil uitzingen - neemt in geestelijke zin de benen.

Willen

Alleen goede vriend en buurman Quincey (Bert Luppes) is een vast baken in de eruptie van emoties. Hij vertegenwoordigt - in de woorden van Geoffrey - "de koele wereld", het nuchtere aardse bestaan. "Je denkt alleen maar aan waar je het volgende shot vandaan kan halen. Ik vind dat je haar onverschillig behandelt", zegt hij vermanend. "Zit er dan geen restje tederheid aan jou?" Toch wel, al uit de consul dat wat onbeholpen en niet op de momenten waarop het betekenis krijgt. Want Quincey heeft zijn vriend onder de tafel zien kruipen en horen smeken om Yvonnes terugkomst. Nu ze er is, als laatste poging om de relatie nieuwe leven in te blazen, foetert hij haar uit. "Heb jij ooit wel eens iets voor iemand anders dan jezelf gedaan?"

Een verwijt dat maar ten dele waar kan zijn. Yvonne houdt zielsveel van hem, ondanks zijn drankzucht. Dat hij haar brieven niet beantwoordde, legt ze uit als een waanidee: Geoffrey denkt zich te moeten opofferen opdat zij met een ander gelukkig kan worden. Onzin, meent Yvonne, want ze wil maar één ding. "Zuiver ergens opnieuw beginnen." Met hem en niemand anders. "We zouden zo gelukkig kunnen zijn."

Strijden

Terwijl iedereen met Geoffrey bezig is, is Geoffrey bezig met alles en iedereen. Hij filosofeert over het Hof van Eden en de bedoeling van hemellichamen. Hij zweeft met zijn hoofd in een andere dimensie, terwijl zijn fysieke gestalte balanceert tussen het luxe diplomatenleven en de smerige goot, waar hij een zwerver ontmoet die hem wél begrijpt. Want hoe beschonken hij ook is, Geoffrey kent wel degelijk een vorm van zingeving. "Ik strijd tegen de dood en voor het behoud van het menselijk bewustzijn." Yvonne geeft haar strijd langzaam op. "Ik ga weg", waarschuwt ze. Zij ziet in haar voormalige echtgenoot "een verloren ziel die rondtast in het duister van de herinnering".

Gevangen

Onder de vulkaan laat zien dat een groot werk geen ingewikkeld plot of spanningsboog hoeft te hebben, maar 'slechts' taalkundig subliem moet zijn. Hoewel Guy Cassiers flink uitpakt met exotische beelden uit de omgeving van Mexico-stad, geprojecteerd op de achterwand, blijft het op de planken sober. De eerste tien minuten zien we alleen een man op een stoel, die in het donker een monoloog houdt. Zo bezien kan het zich meten aan Dagboek van een gek, het boek van Nikolai Gogol die het verhaal vertelt van een aan lager wal geraakte ambtenaar in het 19de-eeuwse Rusland. Regen die op het dak klatert, wind die door de bomen suist, het opfladderen van een duif, het minutieus beschrijven van karaktertrekken. Dat werk, waarin tussen de regels de nietigheid van het bestaan, en in het bijzonder de uitzichtloosheid ervan, op de korrel wordt genomen.

Gedachten die als tralies om de hoofdpersoon zitten. Die gevangenschap - incluis bezorgd bezoek - brengt Guy Cassiers indringend op het toneel met geloofwaardige acteurs. "De bliksem slaat tussen de bomen door met een woest, krullend geluid." Met dat soort zinnen wordt de toeschouwer een uur lang beschoten. Of in de woorden van de makers: "Terwijl hijzelf implodeert, explodeert de taal in zuivere poëzie."

J. Kessels The Novel: een aanklacht tegen het kantoorleven

nrc.nl, 6 april 2009
J. Kessels The Novel: een aanklacht tegen het kantoorleven


Schrijvers hebben doorgaans weinig op met het kantoorleven. Maar P.F. Thomése maakt het in J. Kessels The Novel wel heel bont. Tussen de regels door wordt de hardwerkende burger genadeloos afgezeken.

Door Steven de Jong

Volgens de achterflap is J. Kessels The Novel "een krankzinnig verslag van een ongeplande reis". NRC Handelsblad duidde het in maart bij uitgeverij Contact verschenen boek van P.F. Thomése als een "snackbarromance annex speurdersroman". Het Parool noemt het "een persiflage op een hard-boiled misdaadverhaal" en Vrij Nederland houdt het kortweg op "een road novel". Stuk voor stuk typeringen van een boek dat in wezen eigenlijk iets heel anders is, namelijk een humoristische aanklacht tegen het kantoorleven.

Die aanklacht zit 'm in het beschimpen van Berend de Bray, het stereotype van een kantoorman met een leasebak. 'Bertje', zoals hij denigrerend wordt genoemd, is eigenaar van het onderzoeksbureau De Bray & Partners en praat alsof hij van hoogglanzend promotiemateriaal voorleest. Hij huurt de hoofdpersonages P.F. Thomése en J. Kessels (in het echte leven inderdaad de auteur en zijn beste vriend) in om een vermiste ondernemer uit Breda op te sporen. Die opdracht vormt de verhaallijn, maar de boodschap van het boek halen we uit het geroddel over Berend en de zoekgeraakte ondernemer Perry Boone.

Doorvergaderde bedrijfseikel

Perry, directeur van Harico Import-Expert BV, is namelijk een "doorvergaderde bedrijfseikel waar waarschijnlijk niemand mee zat dat ie weg was". Van zulke lui heb je zo weer een nieuwe, weet Thomése. "Even de kop erop schroeven en rijden maar weer. Seriewerk." Thomése en Kessels zijn uit ander hout gesneden. Thomése is als personage ook schrijver en Kessels is een man die overal een "kuthekel" aan heeft. Eén die typische eisen stelt aan reis en verblijf. Onderweg moet er gewoon stug doorgerookt kunnen worden en het hotel moet niet al te veel poespas hebben. "Hoe lamlendiger hoe beter."

Ingekakte kantinekroket

De botsing tussen de kantoorcultuur van Berend en het zorgeloze leven van Kessels en Thomése komt het best tot uiting in het werkoverleg dat maar niet van de grond wil komen. Berends pogingen om "de te voeren strategie" te bespreken mislukken bladzijde na bladzijde. Een conference call? Met dat soort gezeik hoefde je bij J. Kessels niet aan te komen, zegt Thomése als hij door Berend wordt wakker gebeld nadat hij die nacht "door omstandigheden flink heeft doorgezopen". Met trivialiteiten als uren schrijven, planning en research willen ze niet lastig gevallen worden. "Als er tijdens de opdracht maar voldoende kan worden gezopen. Dat is zijn punt. Daar wil hij geen gezeik over, achteraf", zo verwoordt Thomése de secondaire arbeidsvoorwaarden van zijn vriend. "Wat dacht hij wel, dat stuk kantoormisère? Wist hij wel tegen wie hij het had, die ingekakte kantinekroket?"

Manuscript als onderzetter

Inderdaad, het boek is weinig lovend over wat in Haagse kringen de 'hardwerkende burger' wordt genoemd. Inwisselbaar kantoorfabricaat, vergadertijger, bedrijfsdrol, doorvergaderde bedrijfseikel; het idioom van Thomése is wat dat betreft onuitputtelijk. Heeft de schrijver misschien in het echt ook een afkeer van kantoorrituelen?

"Alles klopt. Waar gebeurd", zei Jos Kessels tegen Jeroen Vullings in Vrij Nederland. Dat is een vrijbrief om het boek van P.F. Thomése autobiografisch te behandelen. Het bewijs voor de gelijkenis tussen het personage P.F. Thomése en de schrijver P.F. Thomése vinden we in de ruzie die de auteur had met zijn voormalige uitgever Querido. Het manuscript van zijn verhalenbundel Greatest Hits (2001) had daar namelijk een jaar op de verwarming gelegen. Dienend als "onderzetter voor koffiebekertjes", zei Thomése tegen Vrij Nederland. "Ik had die verhalen met zoveel plezier geschreven, en daar verdwenen ze in de kantoorroutine van iemand die achter zijn bureau wachtte tot de vijf weer in de klok zat. 'We zijn er mee bezig', hoorde ik dan." Dat Thomése zich ook in het echte leven niet laat kisten, blijkt uit zijn uitbarsting destijds in het kantoor van Querido. Het verhaal gaat dat hij de stapels manuscripten op het bureau van redacteur Anthony Mertens, na een woordenwisseling, in één zwaai heeft weg geveegd.

Nooduitgang tekenen

Zo beschouwd kunnen we P.F. Thomése toevoegen aan het illustere gezelschap Kafka, Nescio (pseudoniem van J.H.F. Grönloh), J.J. Voskuil en Aart van der Leeuw. Schrijvers die hun frustraties over het kantoorleven van zich af hebben geschreven. Franz Kafka en Aart van der Leeuw als assurantiënklerk, J.J. Voskuil als bureauwetenschapper en J.H.F. Grönloh als procuratiehouder. "Voor de auteurs zelf vormde het geschrijf buiten kantooruren een noodzakelijke ontsnapping aan de dagelijkse kantoorsleur", stelt cultuurhistoricus Remco Ensel in zijn boek Alleen tijdens kantooruren (Vantilt, 2008). Of zoals P.F. Thomése het vorige maand in De Standaard verwoordde: "Schrijven is een nooduitgang tekenen op het bordkarton van onze werkelijkheid."

P.F. Thomése: J. Kessels The Novel, Contact, 220 blz. € 16,95

Het Innovatieplatform: porren in de polderklei

Boekcover.nl, 5 maart 2009
Het Innovatieplatform: porren in de polderklei


Een motor van productiviteitsgroei. Ja, premier Balkenende legde als voorzitter van het Innovatieplatform de lat hoog. Anno 2009, zes jaar na de oprichting, is het 'comité van nationale redding' een stuk bescheidener.

Door Steven de Jong

"Het Innovatieplaform is één van de weinige plekken waar innovatie echt op de agenda staat", zei Robbert Dijkgraaf 28 februari j.l. op Radio 1. De universiteitshoogleraar was uitgenodigd omdat hij als lid van het platform de dag ervoor "de jaarlijks terugkerende evaluatie van de Kennisinvesteringsagenda" had gepresenteerd. Wat dat is doet er niet zoveel meer toe. Want het Innovatieplatform heeft allang niet meer de ambitie om een doorbraak te forceren, laat staan dat ze daartoe in staat is.

Metaforen

Soms, als je de publicaties van het platform doorploegt, krijg je de indruk dat er in de vergaderingen van de zwaargewichten alleen maar metaforen bedacht worden. “Innovatievouchers”, “groeiversnellers”, “Kennisinvensteringsagenda-foto”; het zou om te lachen zijn als het niet zo treurig was. Want wie op Innovatieplatform.nl de menulink 'Resultaten 2003-2007' aanklikt (waar is 2008 eigenlijk?) wordt niet veel wijzer.

Hoekpanden


Ook niet veel wijzer worden we van het boek 'Het Innovatieplatform' (Academic Service, 2008), geschreven door Frans Nauta. Als voormalig secretaris was hij een goede insider, maar ook hem lukt het niet de wapenfeiten te resumeren. Sterker, hij heeft zelfs een heel hoofdstuk gewijd aan hoe het Innovatieplatform een actie als wapenfeit in de belangstelling kan krijgen. Dat noemt hij de hoekpanden-theorie, wat kortweg hier op neerkomt: wie als aannemer een buurt aanpakt, moet met de hoekpanden beginnen. Die ziet het publiek namelijk van drie kanten, op kruisingen. Mensen krijgen dan het idee dat er hard gewerkt wordt, ze zien snel resultaat.

Centrum van de macht


En daar komen we bij de crux. 'Innoveren in het centrum van de macht', zoals de ondertitel luidt, gaat niet over Master-plannen, maar over kantoorpolitiek. Het aardige aan Nauta's boek is daarom dat je er alledaagse, zakelijke beslommeringen in kunt herkennen. Een vergadering die verzandt in geneuzel achter de komma, een stichtingsbestuur dat naar wapenfeiten zoekt om donateurs tevreden te stellen, collega's die je niet mag maar toch mee door moet. Druk van boven, druk van onderen.

Vergezichten

Toch was het Innovatieplatform allesbehalve alledaags. "Niet eerder was er er in de geschiedenis van de Staat der Nederlanden zoveel macht en reputatie samengekomen in een adviescommissie", schrijft de auteur. "Het had wel iets van een comité van nationale redding, zoals NRC Handelsblad het later omschreef." Wat er gered moest worden, blijft vaag. Officieel was het Innovatieplatform in het leven geroepen om van Nederland een "swingend kennisland" te maken. "Nederland moet beter zijn koppie gaan gebruiken", zei Balkenende ooit op een conferentie. Of in de taal van het eerste persbericht: "Het Innovatieplatform moet plannen opstellen en een visie ontwikkelen teneinde een impuls te geven aan innovatie in Nederland als motor van productiviteitsgroei en economische ontwikkeling." Vergezichten dus, zaken waar ambitieuze bestuurders over mijmeren bij een haardvuur. Echte urgentie ontbrak, behalve dan de alarmbel dat "Nederland zakt op de internationale lijstjes" en de tegeltjeswijsheid dat stiltstand achteruitgang is.

Finland

Onder het motto 'beter goed bedacht dan slecht gejat' werd Finland als voorbeeld genomen. Dat was geheel te danken aan Frans Nauta, destijds voorzitter van stichting Nederland Kennisland. Hij had onderzocht hoe de Finnen zich sinds de jaren tachtig hadden opgewerkt van een achterstandsland tot de meest innovatieve economie van Europa. "Mijn onderzoek liet zien dat het Finse succes geen toeval was, maar het resultaat van twintig jaar gedegen beleid." Een succesverhaal dat in 1985 begon met de instelling van de zogeheten Science and Technology Policy Council (STPC). "Welk onderzoek we er ook bij pakten", memoreert Nauta, "de Finnen scoorden systematisch beter dan andere Europese landen. Of het nou ging om de kwaliteit van het onderwijs, het aantal hoog opgeleiden, het aantal onderzoekers per duizend inwoners, de groei van investeringen in onderzoek en ontwikkeling, alle statistieken gaven aan dat de Finnen het steengoed deden." Een bewijs van die nieuwe Finse vitaliteit was de opkomst van Nokia tot wereldleider op het gebied van mobiele telefoons. Veelzeggend is wat de directeur strategie van Nokia aan Nauta toevertrouwde: "Zonder de Finse overheid was Nokia nooit geweest wat het nu is." Een uitspraak die je niet snel los krijgt van een Nederlandse ondernemer.

Kennis en bedrijvigheid


Wat deed die Finse overheid dan? Ze legde een voedingsbodem, zoals dat heet, waardoor bedrijfjes als paddestoelen uit de grond schoten. De ingrediënten waren voorhanden. Finland was gezegend met een hoogopgeleide bevolking, veel technische onderzoekers, een internationaal georiënteerde cultuur en een bevolking die goed Engels spreekt. Maar het recept om die ingrediënten te mixen tot een "land met ideale vestigingsvoorwaarden voor knowledge based industries" moest nog geïmplementeerd worden. Dat recept was min of meer voorhanden, in de gedaante van het Stanford Research Park, dat in 1951 haar deuren opende in Palo Alto, Californië. Het idee erachter: vestig onderzoeksafdelingen van bedrijven bij universiteiten, concentreer kennis, talent en ondernemerschap. Het softwarebedrijf SUN, voluit Stanford University Network, was het eerste antwoord op deze succesformule. Maar ook Hewlett Packett, Yahoo! en Google zijn allemaal gestart door Stanfordstudenten. Er ontstond zelfs een speciale vorm van bankieren rondom Stanford, gespecialiseerd in risicovolle financiering van startende bedrijven, het zogenaamde venture capital.

De Finnen besloten deze brandstofmix van talent, kennis en ondernemerschap te injecteren in hun eigen economie. In tien jaar tijd kregen de meeste universiteiten en hogescholen een campus voor bedrijven. Maar dat ging niet vanzelf. De activiteiten werden vanuit de hoogste regionen aangejaagd. De president leidde de STPC samen met zijn ministers van Financien en Onderwijs en Economische Zaken. Om verzekerd te zijn van politiek draagvlak van de STPC werden er, afhankelijk van de partijverhoudingen, een aantal extra ministers lid van de stuurgroep. Daarnaast schoven zwaargewichten uit het onderwijsveld, de onderzoekswereld, het bedrijfsleven en vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers aan. "De STPC werd en wordt gezien als een belangrijke bouwsteen van het Finse succes", aldus Nauta, die aan zijn spionagewerk zijn secretarisschap heeft te danken.

Kantoorpolitiek

Zo bezien is het Innovatieplatform een exacte kopie van de STPC. Maar waarom is het Innovatieplatform dan niet de geschiedenis in gegaan als de STPC? Daarover heeft Frans Nauta een smakelijke anekdote. Mensen die hij ontmoet vragen hem regelmatig of het Innovatieplatform nog bestaat, wat inderdaad zo is. Vraag twee is dan of het nu wel een succes is. Nauta: "Ik antwoord dan dat het me veelzeggend lijkt dat de vraagsteller niet wist of het Innovatieplatform nog bestond."

Hoewel Nauta zijn best heeft gedaan er een constructief verhaal van te maken, met zelfkritiek en 'survivaltips voor vernieuwers in de polder', lees je de frustratie tussen de regels door. Het boek staat zo bol van 'gedoe' dat het eerder iets weg heeft van een sociaal-emotionele les in kantoorpolitiek. Of beter gezegd: een les in polderen.

Intelligent

Herman Wijffels, ook wel omschreven als de "beste minister-president die Nederland nooit heeft gehad", is Nauta's mentor geweest in dit gedoe. "Het zit heel diep", zo schetste Wijffels het poldermodel. Nederland is volgens hem een land zonder machtscentrum. "Je bent altijd afhankelijk van belangen. Den Haag is de hoofdstad, zodat Amsterdam niet te machtig zou zijn. Het stelsel voorkomt zorgvuldig dat er zich meerderheden vormen." Je kunt de polder niet opheffen, benadrukt Wijffels, de kunst is om er intelligent mee om te gaan.

Politiek

En dat is precies waar het boek over gaat. Over polderen. Intelligent polderen. Dat is wat het Innovatieplatform doet: polderen, polderen en nog eens polderen. Op de vraag van de Radio 1-verslaggever waarom het platform zo weinig zichtbaar resultaat boekt, verwees het lid Dijkgraaf naar de politiek. “Zij moeten ervoor zorgen dat al onze punten in hun partijprogramma staan.” Het punt is politiek draagvlak te vinden, zo verdedigde Dijkgraaf zijn team. ”De politiek moet de uiteindelijke keuze maken.”

De politiek dus. Maar het Innovatieplatform is toch politiek? Of zijn Maria van der Hoeven (minister van Economische Zaken), Ronald Plasterk (minister van Onderwijs) en Jan Peter Balkenende (minister-president) voor spek en boden lid?

Individueel succes is een product van de maatschappij

nrcnext.nl, 20 januari 2009
Individueel succes is een product van de maatschappij


Om de top te bereiken hoef je geen natuurtalent te zijn. ‘Goed genoeg’ zijn is voldoende. Echt succes is namelijk geen individuele verdienste, betoogt Malcolm Gladwell in zijn boek Uitblinkers. “Succes is een product van de maatschappij.”

Door Steven de Jong

Genialiteit is uitzonderlijk, maar waarom blinkt niet elk genie uit? Malcolm Gladwell (1963), voormalig wetenschapsjournalist van de Washington Post, verklaart dat in zijn boek (Uitgeverij Contact, 2008) aan de hand van zijn eigen basketball-theorie. “Een speler van 2,03 meter is niet automatisch beter dan iemand die 5 centimeter korter is. Michael Jordan, de beste speler ooit, was tenslotte 1,98. Een basketbalspeler hoeft alleen maar lang genoeg te zijn, en dat geldt ook voor intelligentie”, aldus de auteur.

Het IQ-minimum

Dat je voor wetenschappelijk uitmuntende prestaties alleen maar ‘slim genoeg’ hoeft te zijn, zegt ook de Britse psycholoog Liam Hudson. “Het is ruimschoots bewezen dat iemand met een IQ van 170 meer kans heeft om goed te kunnen denken dan iemand met een IQ van 170”, zo citeert Gladwell de wetenschapper. “En dit gaat ook op als de vergelijkingspunten veel dichter bij elkaar liggen, bijvoorbeeld IQ’s van 100 en 130. Maar de relatie lijkt weg te vallen zodra we mensen vergelijken die allebei een relatief hoog IQ hebben. Een volwassen wetenschapper met een IQ van 130 heeft net zoveel kans om een Nobelprijs te winnen als een wetenschapper met een IQ van 180.”

Tienduizend uur oefenen

Het bereiken van de top doe je niet op intelligentie alleen, is Gladwells overtuiging. Die bewering onderbouwt hij met een onderzoek van de psycholoog K. Anderson Ericsson. Die verdeelde violisten van de Berlijnse Hochschule für Musik in drie groepen. Een groep die het potentieel had om tot de wereldklasse te gaan behoren, een groep die gewoon goed was en een groep die van plan was muziekleraar te worden op openbare scholen. Het eigenaardige aan Ericssons onderzoek, zo schrijft Gladwell, is dat hij geen ‘natuurtalenten’ kon vinden; musici die met minimale studie fluitend naar de top doorstootten. Evenmin was er sprake van ‘doorzetters’; musici die alleen maar door keihard te studeren sublieme prestaties leverden. Integendeel: “Op hun twintigste hadden de uitverkoren spelers er allemaal in totaal tienduizend uren studie op zitten. De gewoon goede spelers hadden achtduizend uren gestudeerd en de toekomstige muziekleraren net iets meer dan vierduizend.”

Basketballspelers, wetenschappers, musici. Zij hoeven dus alleen maar lang of goed genoeg te zijn. Het onderscheid tussen zij die professioneel hun vak uitoefenen en zij die tot de wereldklasse gaan behoren wordt vooral bepaald door hoe hard er wordt gewerkt. "Sterker: degenen aan de uiterste top werken niet zomaar veel harder. Ze werken, veel, véél harder.”

Gladwell illustreert zijn theorie met overtuigende voorbeelden. Wolfgang Amadeus Mozart (1756 - 1791), de componist wiens genialiteit niet ter discussie staat, begon op zijn zesde met het schrijven van muziek. Toch maakt Gladwell een kanttekening aan de hand van biografieën over Mozart. Volgens de psycholoog Michael Howe, auteur van Genius Explained, zijn Mozarts vroege werken, naar de standaarden van rijpe componisten, niet opvallend. “Van de werken die alleen oorspronkelijke muziek van Mozart bevatten, is het vroegste dat we nu als meesterwerk beschouwen (nr. 9. K. 271) pas gecomponeerd toen hij eenentwintig was: tegen die tijd was Mozart al tien jaar bezig geweest met het componeren van concerten.” De muziekcriticus Harold Schonberg gaat nog verder, schrijft Gladwell. De componist die een stempel drukte op de klassieke muziek zou eigenlijk een “laatbloeier” zijn: het beste werk kwam pas uit zijn handen toen hij meer dan twintig jaar bezig was geweest met componeren.

Hetzelfde zou opgaan voor schaakgrootmeesters, zoals de Russische Garri Kasparov. Op 22-jarige leeftijd kwalificeerde hij zich als jongste wereldkampioen aller tijden, en jaren daarvoor stond hij al aan de top van het jeugdklassement. Net als Mozart behoorde Kasparov dus ook pas na tien jaar oefenen tot de wereldklasse. “Alleen de legendarische Bobby Fischer bereikte dit uitverkoren niveau in minder tijd: hij deed er negen jaar over”, aldus Gladwell.

Die tien jaar komt telkens terug in het boek van Malcolm Gladwell. “Dat is ongeveer de tijd die nodig is om tienduizend uren hard te kunnen oefenen. Tienduizend uren is het magische getal voor grootheid.”

Hamburg

Tienduizend uur, in tien jaar dus. Maar waar haal je die tijd vandaan? Naast school, naast werk. De omgeving van een genie moet daartoe de juiste condities scheppen. Ook hierin heeft Gladwell zich verdiept; het recept voor wereldklasse is volgens hem niet alleen een kwestie van oefenen. Nee, talenten hebben hun ‘Hamburg’ nodig. Daarmee doelt hij op de periode van de Beatles voordat zij als band doorbraken. “In 1960, toen ze nog maar een worstelende middelbare-schoolrockband waren, werden ze uitgenodigd om in Hamburg in Duitsland te spelen”, weet Gladwell. “Er was een bepaalde clubeigenaar die oorspronkelijk kermisbaas was. Hij vatte het plan op om rockgroepen in verschillende clubs te laten spelen. Ze hadden een formule. Het was een enorme non-stopshow. De bands moesten aldoor blijven spelen om het voorkomende verkeer vast te houden.” In Liverpool hadden de Beatles nooit sessies van langer dan een uur gedaan en speelden ze bij elke gelegenheid alleen maar hun beste nummer, zoals zoveel bands doen. “Maar in Hamburg”, zo vertelde John Lennon in een interview, “speelden we acht uur aaneen. We moesten echt een nieuwe manier van spelen zien te vinden.”

Alles bij elkaar traden ze 270 avonden op in net iets meer dan anderhalf jaar. Tegen de tijd dat ze in 1964 hun eerste uitbarsting van succes hadden, hadden ze ongeveer 1200 keer live opgetreden. Dat is meer dan de meeste bands van tegenwoordig in hun hele carrière doen. “Het is de vuurproef die de Beatles van de anderen onderscheidde”, aldus Gladwell.

Ook Bill Gates, oprichter van Microsoft, zou zijn Hamburg hebben gehad. Toen hij in de tweede klas zat kocht zijn school, het particuliere Lakeside, de zogenaamde ASR-33 Teletype. Een timesharingterminal die een directe verbinding had met een mainframecomputer in de binnenstad van Seattle. “Bill Gates kon gaan programmeren in de tweede klas van de middelbare school in 1968! Vanaf dat moment woonde Gates in de computerruimte”, schrijft Gladwell. Het was geen gewone computer, maar het nieuwste van het nieuwste: een die zonder het tijdrovende ponskaartensysteem werkte, waarmee computerwetenschappers in die tijd zelfs nog mee in de weer waren. “Het was een obsessie voor me. Het kwam maar zelden voor dat we in een week minder dan twintig of dertig uur bezig waren”, aldus Gates over zijn middelbareschooltijd.

Steve Jobs, medeoprichter van Apple Computer (tegenwoordig Apple Inc.), heeft volgens Gladwell ook zijn Hamburg gehad. Hij groeide op in Mountain View Calfornia, even ten zuiden van San Francisco, in het epicentrum van Silicon Valley, het industriegebied waar bedrijven als Hewlett-Packard en Intel het licht zagen. Jobs was een knutselaar en struinde alle elektronicabeurzen af op zoek naar onderdelen. Maar hij had ook lef: om gratis aan onderdelen te komen belde hij oprichter Bill Hewlett op. “Jobs kreeg niet alleen de gevraagde onderdelen, maar hij wist ook een vakantiebaan los te peuteren”, vermeldt de biografie Accidental Millionaire. “Jobs werkte bij een assemblagelijn voor het bouwen van computers en hij was zo gefascineerd dat hij er zelf een probeerde te bouwen.” In de woorden van Gladwell: “Jobs groeide in de branche op waar hij later zou heersen.”

Wees jong als de revolutie uitbreekt

Natuurlijk zijn er ook tal van tycoons die niet hun Hamburg hebben gehad. Maar het gaat Gladwell om de patronen. Om die te ontdekken heeft hij de Forbes-lijst van de 75 rijkste personen ooit bestudeerd. In de lijst, die aangevoerd wordt door grootindustrieel John D. Rockefeller (1839 - 1937), ontdekte hij dat 14 van de 75 rijksten allen Amerikaan zijn die binnen negen jaar van elkaar zijn geboren in het midden van de negentiende eeuw.

Toeval? Allerminst, betoogt Gladwell. “In de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw maakte de Amerikaanse economie misschien wel de grootste metamorfose van haar geschiedenis door. Het was de tijd waarin de spoorwegen werden aangelegd en Wall Street in opkomst was. Het was de tijd waarin de industriële fabricage pas goed begon. Het was de tijd dat alle regels volgens welke de traditionele economie had gefunctioneerd, werden gebroken en opnieuw gemaakt.” Als je echt wilde profiteren van die condities moest je begin twintig zijn ten tijde van de metamorfose. “Je moest geboren zijn tussen 1831 en 1839.”

Terug naar Steve Jobs (24 februari 1955) en Bill Gates (28 oktober 1955). Zij waren begin twintig toen de Altair 8800, de eerste minicomputer ter wereld, in januari 1975 op de markt kwam. Dat moment wordt aangemerkt als de belangrijkste datum in de geschiedenis van de pc-revolutie. “Als januari 1975 de dageraad van het pc-tijdperk was, wie zou dan in de beste positie zijn om daar zijn voordeel mee te doen? Hier gelden dezelfde principes als in de tijd van John Rockefeller. Allereerst zou je natuurlijk niet te oud moeten zijn aan het begin van de revolutie. Alleen de jongeren hebben de vrijheid en het lef om een nieuw paradigma te omarmen”, zo duidt Gladwell de overeenkomst. Ook Bill Joy mag hier niet onvermeld blijven. Deze oprichter van Sun Microsystems, geboren op 8 november 1954, wordt wel de Edison van internet genoemd. “Als hij wat ouder was geweest, zou het venstertje dat hem de kans gaf om een ondersteunende code voor internet te schrijven intussen gesloten zijn.”

Niet iedere softwaretycoon werd in Silicon Valley geboren in 1955, geeft Gladwell toe. “Sommigen werden dat niet, net zomin als elke zakenreus in de Verenigde Staten in het midden van de jaren dertig van de negentiende eeuw werd geboren. Maar hier zijn heel duidelijk patronen waar te nemen, en het opvallende is dat we daar zo weinig over lijken te willen praten. We doen alsof succes een kwestie is van individuele verdienste, maar uit niets in de verhalen die we tot nu toe hebben gezien blijkt dat de zaken zo eenvoudig zouden liggen.”

Product van de maatschappij

Alle uitblinkers profiteerden volgens Gladwell van de een of andere ongewone kans. “Het lijkt erop dat meevallers bij softwaremiljardairs, rockbands en topatleten geen uitzondering zijn, maar regel.” Zij werden volwassen in een tijd waarin een extra inspanning werd beloond door de rest van de maatschappij.

Datgene wat wij als talent zien is volgens Gladwell in werkelijkheid een ingewikkelde combinatie van aanleg, kansen en een volkomen willekeurig voordeel. Gladwell betoogt zelfs dat Mozart, Gates en Rockefeller hun successen niet zelf gecreëerd hebben, maar dat hun succes een product was van de wereld waarin zij opgroeiden.

“Er zat een logica achter”, zo richt Gladwell zich op bladzijde 76 tot zijn lezers. “Bedenk eens welke aanlokkelijke mogelijkheden zich zouden voordoen als we die logica begrepen.” Iedereen die tot de absolute top wil doorstromen zou er volgens Gladwell goed aan doen zijn eigen Hamburg op te zoeken.